De zwevende vrouw

Johanna van der Stel was de ster van het Rotterdamsch Tooneel. Ze huwde de gedistingeerde Jonas Witsen. Op een gravure uit 1774 springt ze, speciaal voor haar fans, een `temps levé battu'.

Hij moet haar voor het eerst hebben gezien op het toneel van de Amsterdamse Schouwburg. Waar anders komt een rijkeluisjongen uit de grachtengordel in aanraking met een befaamd podiumkunstenaresse? Na een afwezigheid van dertien jaar is Johanna Susanna van der Stel in 1786 teruggekeerd naar de hoofdstad. De gecommitteerden van de schouwburg op het Leidscheplein meenden, dat de `bequaamheden' van de `eerste Actrice van het Rotterdamsch Tooneel' van `groot nut syn' voor het uitvoeren `der beste rollen als ook voor den dans in de Balletten'. Ze hebben haar aangenomen op een jaartractement van achthonderd gulden en terstond danst Johanna in een Nieuw Boeren-Ballet en speelt ze Blanka, de hoofdrol in De gekroonde na haar dood, zo valt te lezen op de aanplakbiljetten.

Befaamd en van groot nut, ja. Maar geen geschikte huwelijkskandidate voor een telg van een gedistingeerde patriciërsfamilie. Een weduwe met twee kinderen was ze, bovendien dertien jaar ouder dan haar beau en tot overmaat van ramp werkzaam in een beroepstak die in de betere kringen allesbehalve eerzaam genoemd kon worden, zeker niet voor vrouwen.

Toch heeft Jonas Witsen haar het hof gemaakt. Terwijl zijn beide zusters trouwden met heren van stand, verteerde hij, getuige drie notariële aktes, in 1790 flinke sommen uit zijn erfenis.

Kende hij Johanna's reputatie? Het is gissen, maar mogelijk had hij 't Galante leeven der Amsterdamsche en Rotterdamsche Actrices gelezen, dat over `Juffr. v.d. S.' allerlei wederwaardigheden en pikanterieën opdist. Het soort achterklap waarmee menig theaterpersoonlijkheid tegenwoordig naar de rechter stapt. Zo niet in de achttiende eeuw. Jonas' familie zal ervan hebben gegruwd. Op vrolijke toon beschrijft de anonieme `Navorscher' hoe het `Amsteldamsch Meisje' al op jonge leeftijd in `vertrouwde en eindelyk ook jonge Partyen' uitmuntte ,,waar door zy zig zo wel wist voor te doen dat het haar aan geen Minnaar ontbrak''. Een van hen, een Duitsch Heer, had haar zeker gehuwd ,,zo zy zig alleen met hem en niet met meer andere opgehouden had''. Daar bleef het niet bij, want ze kwam elke avond voorzien van `lekkernyen en geld' thuis ,,hetwelk hem zo kaal maakte dat hy genoodzaakt wierd om Holland zonder afscheid te nemen te verlaten''.

Gelijk had ze, Johanna Susanna van der Stel. Bittere tijden waren immers aangebroken toen de Schouwburg aan de Keizersgracht op maandag 11 mei 1772 tot de grond toe afbrandde en haar ouders Willem van der Stel en Isabella de Gruijter hun broodwinning verloren. En zij ook, `het Dochtertje van Monsr. van der Stel', dat reeds in 1765 in het Schouwburg Nieuws geprezen werd omdat zij in de danskunst `krachtdadig begint toe te nemen' en haar bijrollen als lakeien in treurspelen `volkomen goed verricht', ook Johanna en haar jongere broertje Nicolaas kenden geen ander bestaan, hadden geen andere vrienden dan het toneelvolk.

`Rein af!'

Johanna en Jonas zullen het er, vele jaren later, over gehad hebben. Hoe de stad was uitgelopen om, zoals schotschriften direct na de brand verkondigden, `gods straf voor de onkuischheid' te aanschouwen. ,,Rein af! Rein af! brand uit! riep God uit 's Hemels boogen!'' jubelde J.C. Mohr - zijn gedicht over de goddelijke gerechtigheid werd drie keer herdrukt. Dichteres Betje Wolff viel de zedenprekers aan: ,,Gij booze Dweepers! Maar ik schrik van uwe taal! / Ontaarde menschen durft gij wel zoo liefdeloos wezen? / Schijnheiligen, hebt ge dan harten hard als staal? / Kunt ge, in dit droevig Lot, Gods wraak en toorne lezen?''

De gloed van de ramp, waarbij achttien mensen omkwamen en vele belendende panden werden verwoest, viel tot ver buiten de stadsgrenzen te ontwaren. Veertig spuiten bestreden het vuur en tot op de Overtoom kwamen brandende doeken neer, volgens een van de verslagen. Vast en zeker heeft de zevenjarige Jonas Witsen vanuit een van de achterramen van zijn geboortehuis Swedenrijck aan de Herengracht die avond iets van het noodlottig spektakel gezien.

,,Eindelyk geraakte zy met haar Vader, Moeder en Broeder aan 't toen beginnende Rotterdamsch Tooneel'', aldus 't Galante leeven. Johanna zal aan Jonas de details verteld hebben. Hoe Jan Punt, de bekende acteur en graveur, die bij de brand al zijn bezittingen en `eene kostbare schilderijenverzameling' was kwijtgeraakt, het voor elkaar kreeg om eind mei 1773 met zijn berooide Amsterdamse troep, onder wie zes theatergezinnen, in een tent buiten de Binnenwegsche Poort `geapointeert' te worden. Voor negentig `Representatiën', exclusief de benefietvoorstellingen voor de acteurs aan het einde van het seizoen. Ze hadden de verzekering dat na de winter ,,een Schouwburg binnen de muuren zal worden opgerigt''.

Johanna, twintig toen, verdiende vierhonderdtachtig gulden als actrice en danseres; haar ouders en haar broertje samen achthonderd. Nicolaas, net vijftien, was voorlopig figurant. Ma, midden vijftig, ,,had het emplooi der oude vrouwtjes en deed dienst als utilité''. Pa, een jaar ouder, speelde vaderrolletjes in de nastukjes. Hij ,,drukte en hakte zijn woorden zo kragtig dat het eerder na het blaffen van een hond geleek, dan het spreeken van een mensch''. Maar Johanna's verrichtingen sloegen aan en dat blijkt niet alleen uit het elk jaar verhoogde honorarium. Volgens de uitvoerige Brieven van een Rotterdamsch Heer klom ze het eerste seizoen, `mildadig toegejuigt', snel op in de rangen.

Zou ze nadien Jonas voorgespeeld hebben hoe ze `uitschitterde' als Helena in Molière's De ingebeelde Zieke? Of zag hij haar liever als Laonice in Rodogune, Princesse der Parthen, ,,doende alles wat me van zulk een Straatjuffer verwagten konde''. Vroeg hij haar uit een van de komieke pantomimes een `bekorelyke' solo te dansen, bijvoorbeeld die met het rateltje waarmee ze De Sluimerende Boer wakker schrikte of, nog fraaier, Het Beelt bezielt door de liefde, dat `zeer gevallig en wel gepast' ineens tot leven komt als Cupido vanaf zijn wolk een pijl op haar afschiet.

Misschien heeft Johanna het alles lachend weggewimpeld, lang geleden was het inmiddels. Ze vertelde eerder vol trots dat haar broertje `tot genoegen en vermaak der Toezienders, ene Hornpyp' danste. Wilde niet te diep ingaan op haar liaison met de eerste danser aan wie ze al gauw gekoppeld werd, Johannes Mouritz Mol, ,,die zijn aardige figuren rom en tom de Jonge Juffr. van der Stel'' niet alleen op het toneel uitvoerde.

De Teering

Jonas Witsen zal best begrepen hebben dat Johanna's dochter Antonia zeven maanden na het huwelijk met haar danspartner werd geboren. Als hij al geloof hechtte aan de kwaadsprekerij in 't Galante leeven Johanna zou ,,haar voorig leeven niet kunnende nalaaten'' dan heeft het hem niet afgeschrikt. Het kon niet, zoals gesuggereerd werd, háár schuld zijn dat haar man door ,,de Teering van haar weggerukt wierd''. Dat was op 3 oktober 1780, kort nadat de 28-jarige Mol de voogdij over hun twee kinderen bij testament aan haar toewees.

De analogie kan Jonas Witsen niet zijn ontgaan: Johanna schonk hem een zoon in januari 1792. Het officiële huwelijk en de notariële overeenkomst tussen hun beiden lieten meer dan een jaar op zich wachten. Jonas was schatrijk, bij de dood van zijn vader bedroeg zijn kindsdeel ruim een kwart miljoen gulden. Johanna bracht niet meer in dan twee `voorkinderen' en familiepapieren en -portretten. Toch trouwden ze in gemeenschap van goederen. `Expresselijk' vermaakten ze over en weer de `pourtraiten' die ze elkaar ,,voor het celebreeren van dit Huwelijk praesent hebben gedaan''. De zijne: een op een `goude Snuijfdoos' en het ander op een schilderij; het hare ,,staande in een fauxe montre'', een medaillon. De bejubelde actrice en danseres was een gerespecteerd Huijsvrouwe geworden.

Maar in geen van de gevonden archiefstukken, ook niet in de gedetailleerde boedelbeschrijving na Jonas' ontijdige dood, is sprake van het wonderbaarlijk dansportret uit 1774. De tekenaar mag dan geen groot kunstenaar zijn geweest, hij heeft het moment voortreffelijk getroffen, in aanmerking genomen dat een temps levé battu, een sprong zijwaarts waarbij de benen een of meer keren batteren, voor ongeschoolde ogen lastig valt te determineren. Volgens de Rotterdamse criticus vond het publiek niets begeerlijkers dan dat er ,,flink gesprongen wort''. Misschien heeft Johanna de sprong herhaald, opdat de tekenaar de opwaartse zwiep van haar kostuum goed kon registreren. Er zal niet alleen daarom vraag naar de gravure zijn geweest. Toentertijd, in Rotterdam.

Eenentwintig jaar later, in december 1795, als niets meer wijst op haar vorig leven, verliest Johanna ,,mijn waardige Man Jonas Witsen, in den ouderdom van circa 32 Jaaren''. Tien dagen tevoren had hij, waarschijnlijk al ziek, de geboorte van hun derde en enige overlevende zoontje Jonas aangekondigd, ook in de Amsterdamsche Courant.

De woelige wereldpolitiek vóór de eeuwwisseling deed de nalatenschap ernstig slinken, maar toch kon Johanna blijven wonen op de buitenplaats Woelwijk aan de stille zijde van de Overtoom, toen er nog reden was voor het bakerrijmpje ,,schuitje varen / theetje drinken / bloemetjes plukken / varen we langs den overtoom / drinken we zoete melk met room''. De Overtoom is sinds lang gedempt, de buitenplaatsen afgebroken. Woelwijk moet hebben gestaan tussen de Jan Pieter Heije- en de Nicolaas Beetsstraat. Ze is er aan `zenuwzinkingskoortze', buiktyfus, gestorven. Op 28 december 1818, vier jaar na haar dochter Antonia. De twee halfbroers Johannes Mol en Jonas Witsen betreurden in een opvallend grote annonce ,,eene onvergetelijke moeder, welker nagedachtenis ons altijd heilig zal blijven. Zij was het, die ons beide, van onze vroegste kindsche dagen, alleen, met liefderrijke zorgen, teederlijk heeft opgevoed''.

Willem Witsen

Heeft Johanna's zoon Jonas de geschiedenis levend gehouden? Hij bereikte de hoge ouderdom van 82 jaar. Misschien vertelde hij zijn jongste kleinkind Willem Witsen, op wiens geboorteakte uit 1860 zijn handtekening prijkt, over de avondjes op Woelwijk, wanneer zijn moeder en zijn oom herinneringen ophaalden aan hun gloriedagen. Hoe ze optraden in het allegorisch ballet Het feest van Flora. Johanna aan het hoofd van de bloemenstoet als de Roos ,,gelyk zy ook in 't wit was, met roosen op het kleet geborduurt''. Johannes Mol als de Boreas die in een `blaauw kleet met witte sneeuwvlokken bezaayt' het toneel komt opvliegen en alle bloemen neerblaast, tot slot ook de Roos ,,die verzette zich het meest''. Waarna Nicolaas als de Zuyderwind ,,de neergeslagen bloemen weer op deet ryzen''.

Waren de pourtraiten, in liefde over en weer geschonken, destijds nog in familiebezit? Niemand weet waar ze zijn. Maar de dansende Johanna bleef gelukkig bewaard, in Rotterdam. Zou de achterkleinzoon het portret van de overgrootmoeder, zwevend in de lucht met haar opwaaiende rokken, ooit hebben gezien? Als het al zo is, heeft hij, de schilder en fotograaf Willem Witsen er, voor zover kan worden nagegaan, nooit iets over opgeschreven. Het is een aardig toeval dat hij op de Overtoom heeft gewoond en gewerkt, een kijk ver van de plek waar eens het huis van zijn overgrootouders stond.

Bronnen o.a.: gemeentearchieven Amstelveen, Amsterdam, Rotterdam; Vereniging Historisch Amstelveen, Fred van Kooij