De toekomst van de utopie

Een ambitieus boek over het wereldkapitalisme heeft een snaar geraakt bij academici en activisten tegen globalisering. Twee auteurs die zich trots `communist' noemen, breken met het liberalisme dat elk utopisch denken afwijst als een enkele reis naar de Goelag.

We zijn in de greep van een gloednieuw imperium – een ongrijpbaar rijk van mondiale kapitaal- en informatiestromen dat een allesomvattend net van discipline en beheersing over de aardbol spant. Gelukkig is daar waar het gevaar het grootst is, de redding nabij: het imperium genereert zijn eigen ondergang. Het potentieel voor revolutie is zelfs nog nooit zo groot geweest. Onze inkapseling in dit mondiale systeem is, kortom, een stap vooruit.

Dat is in een notendop de boodschap van Empire, een filosofisch tractaat over de globalisering. Het wil enerzijds een ambitieuze totaal-theorie presenteren, nu de sociale wetenschappen zich verliezen in geneuzel over details, anderzijds wil het maatschappelijke krachten mobiliseren en munitie leveren tegen `de vijand'. Sterker nog: de auteurs noemen zich trots `communist', niet omdat ze zo gecharmeerd zijn van de oude Sovjet-Unie (óók een onderdrukkend systeem), maar omdat ze zich schatplichtig voelen aan de marxistische kritiek op het kapitalisme en de revolutionaire roeping van het proletariaat. En dat bestaat nog, schrijven ze, ook al is het van gedaante veranderd.

De auteurs van Empire vormen een onwaarschijnlijk, maar eigentijds koppel. Antonio Negri komt uit de jaren zeventig – en hoe. Deze 68-jarige Italiaanse spinozist werd veroordeeld tot een celstraf van dertien jaar wegens zijn ideologische betrokkenheid bij de Rode Brigades, die destijds onder meer premier Aldo Moro vermoordden. Hij heeft momenteel huisarrest te Rome. Zijn co-auteur Michael Hardt (41) is een onopvallende, progressieve Amerikaanse literatuurwetenschapper aan Duke University, North Carolilna. Hij zocht contact met Negri omdat hij teleurgesteld was geraakt in de abstracties van de linkse politieke theorievorming in Amerika. Zo hebben de goedwillende Amerikaanse idealist en de door de wol geverfde Italiaanse extremist elkaar gevonden.

Het boek is inmiddels – een jaar na publicatie – het gesprek van de dag onder Amerikaanse sociale wetenschappers. The New York Times wijdde begin deze maand een uitvoerig stuk aan de vraag of Empire nu `the Next Big Idea' was en, zoals de Sloveense filosoof Slavoj Zizek opmerkte, een `Communistisch Manifest voor de eenentwintigste eeuw'. De vooraanstaande marxist Fredrick Jameson heeft het al `de eerste grote theoretische synthese van het nieuwe millennium' genoemd. Dissident is de Britse politieke wetenschapper John Gray, auteur van de globaliseringskritiek False Dawn. The delusions of global capitalism (1999). Hij hekelde Empire in The New York Times als een betoog vol hyperbolen, dat geen oog heeft voor de concrete, weerbarstige werkelijkheid en de onzekerheid omtrent de machtsverhoudingen in de wereld. Negri en Hardt overdrijven, om ideologische redenen, zowel de zwakte van nationale staten als de kracht van multinationals en mondiale kapitaalstromen, aldus Gray.

Wat is dit voor boek en waarom vindt het zoveel weerklank onder critici van de globalisering, het Westen, en het kapitalisme? Eén ding is meteen duidelijk: dit is geen empirische studie – hier hebben we een bedwelmende poging tot ideologische dieptepeiling van een tijdperk. Het betoog van Negri en Hardt is zowel opzwepend als abstract, gedrenkt in jargon dat put uit het marxisme, maar ook uit het Franse poststructuralisme en deconstructie-denken. De ouderwetse retoriek van klassenstrijd en proletariaat gaat samen met analyses van de `spektakel-maatschappij', het `hybride' karakter van de postmoderne wereld, het `nomadische' bestaan van de `menigte', en `sociale machines' die `nieuwe subjectiviteiten produceren'.

Zulke abstracties worden afgewisseld met cultuurhistorische passages en lyrische, cursief afgedrukte, politieke manifesten. Het boek is enthousiast, op het oog erudiet en verreikend, en staat bol van de retoriek over het `Europese Zelf' dat `geweld nodig heeft', de `stinkende wolk' van corruptie die over het imperium hangt, daarentegen de `weergaloze moed' van het Vietnamese volk, en het peilloze leed in de wereld.

De lezer hoeft zich dus niet te vervelen. De historische delen prikkelen de schoolkennis, het manifest mobiliseert de emoties, en de abstracties staan borg voor academisch niveau. Dit is, kortom, een feel smart-boek voor de generatie van de anti-globalisering. En wie gelooft er niet graag dat hij in een Nieuwe Tijd leeft? Wie daar gevoelloos voor blijft, moet wel in de greep zijn van `bourgeois-realisme'.

Het succes van Hardt en Negri bewijst in elk geval dat de behoefte aan een sociaal bewogen, hoopvolle dwarsdoorsnede van het tijdperk waarin we leven, springlevend is. Zeker bij generaties die zich niet van hun idealisme willen laten afhouden door het totalitaire schrikbeeld van linkse pentiti uit de jaren zeventig. De desillussies van de globalisering – het ongebreidelde economische denken, het neokolonialisme in de internationale verhoudingen, de macht van corporate America in de persoon van George Bush – vormen de voedingsbodem voor hun sociale beweging. Maar dit boek voorziet zelfs in markt-termen in een behoefte: de beweging tegen globalisering kende totnutoe geen `denkboek', alleen een stortvloed aan gedetailleerde empirische en journalistieke studies waarvan het bekendste het wereldwijd verkochte No Logo is van Naomi Klein.

Met alle bombast, ambitie en hernieuwde hoop op revolutie, markeert Empire ook een harde breuk met het comfortabele, al te bescheiden liberale denken dat sinds de val van de Muur het utopisch denken verdacht maakt als een enkele reis naar de goelag. `Dat de sociale utopie haar tijd gehad heeft, heb ik hoop ik met klem van argumenten duidelijk gemaakt', schreef de Nederlandse sociaal filosoof Hans Achterhuis in De erfenis van de utopie (1998). `Absolute aspiraties dienen uitgeleefd te worden in kunst en literatuur en niet in de politiek-maatschappelijke orde', aldus Achterhuis.

Dat was een tikje voorbarig – of te laat – want terwijl Achterhuis' boek verscheen, was de gesmade utopie alweer een nieuw leven begonnen. De marxist Fredrick Jameson, op wie Hardt en Negri zwaar leunen, keerde zich in The Cultural Turn (1998) tegen het taboe op utopisme en de `war on totality', volgens hem een tactiek van het neoliberalisme om intellectuele ontmaskering van het wereldsysteem de pas af te snijden. Het was tijd voor een `radicale interventie', een benadering die zicht geeft op een geheel dat om redenen van macht en beheersing verborgen wordt gehouden.

Is dat boek er nu dan? Als de retorische rook optrekt, valt allereerst op dat de auteurs van Empire inderdaad niet veel nieuwe inzichten bieden, zeker niet voor wie enigszins thuis is in neomarxistische en postmoderne analyses. Hun begrip `imperium' doet denken aan het bijna mystieke begrip `macht' bij Foucault. Het `imperium' heeft geen centrum, geen grenzen, het is overal en nergens, een ou-topia (een `non-plaats'). Het is met andere woorden zèlf een begrip zonder kern, leeg, een grensbegrip of metafoor – al ontkennen Negri en Hardt dat – waarmee in één woord iets moet worden uitgedrukt van onze tijd. Met reguliere sociale wetenschap heeft zulke begripsvorming niets te maken; dit is cultuurkritiek in een nieuw jasje.

En het is inderdaad de verwerking van andermans kritische gedachtegoed, verzacht met een positieve boodschap en enthousiaste toon, die Empire tot een bijzonder boek maakt. Negri en Hardt borduren bijvoorbeeld lustig voort op het werk van Jameson, al zijn ze veel minder zwartgallig. Postmodernisme, dat feest van diversiteit, speelsheid en oppervlakkigheid, is volgens Jameson de perfecte `logica' van het mondiale kapitalisme, met zijn constante zucht naar prikkels, niche marketing en kapitaalstromen. `Perpetual shopping is de paradigmatische ervaring van de postmoderniteit', beaamt Empire.

Negri en Hardt volgen Jameson ook in hun kritiek op het postmodernisme in een andere betekenis, namelijk als wereldbeschouwing die in de mode is geraakt onder westerse intellectuelen. De boodschap dat de grote verhalen dood zijn en het nu vooral gaat om creatief genieten, spreekt vooral de winnaars van de globalisering aan; de verliezers zoeken hun heil in fundamentalisme, het andere extreem. De overtuiging dat de `grote verhalen' dood zijn (en is globalisering soms geen groot verhaal?) verliest bovendien veel van zijn kracht in de echte wereld. Een klassiek begrip als `waarheid' is niet dood, of triviaal, zoals postmodernen willen, laat staan `vloeibaar', in een land als El Salvador, of Zuid-Afrika.

Maar meteen na deze rehabilitatie van het waarheidsbegrip komt het vertrouwde marxistische vervolg: `Ook waarheid zal ons niet vrijmaken, het toeëigenen van de productie van waarheid zal dat doen'. Zo zijn we terug bij een cynisch,instrumenteel begrip van waarheid als iets dat wordt `geproduceerd'.

Ook uit andere bron afkomstig, maar niettemin prikkelend, is Negri`s en Hardts uiteenzetting over racisme. Dat is niet verdwenen in de moderne wereld, maar eerder toegenomen, in een nieuwe vorm. Het ouderwetse, biologische racisme van de negentiende eeuw – dat een rassenhiërachie wilde aanbrengen op wetenschappelijke basis – heeft plaatsgemaakt voor een cultureel racisme. Dat erkent dat iedereen natuurlijk in principe gelijk is, maar het meet de waarde van etnische groepen aan hun performance, aan de hand van economische en andere indicatoren. Zo ontstaat een `markt-gestuurde meritocratie van culturen', waar racisme zich niet langer vertaalt in hiërachieën, maar in segregatie.

Wel opvallend nieuw aan Empire zijn twee elementen. Allereerst: het boek is optimistisch. Het `imperium' is beter dan het oude kapitalisme, èn het bevat gelukkig nog steeds, zelfs in heviger mate, de kiemen van zijn eigen ondergang. Het imperium `creëert een groter potentieel voor revolutie dan het eerdere, moderne machtssysteem.' Juist omdat het democratisch is en geen centrum heeft, kan iedereen het, voortdurend, aanvallen. Globalisering moet worden bestreden met `tegen-globalisering'. Hoewel dit boek is geschreven vóór de opkomst van de tophoppers lijkt het de ideologen onder hen dus op het lijf geschreven. Inmiddels hoeft het niemand meer te verbazen dat de betogers in Genua zich tooiden met gsm, internet en andere veren van de mondialisering.

Even opvallend is dat Amerika in Empire niet de grote Satan is. Het land neemt weliswaar een bevoorrechte positie in, maar het wereldsysteem wordt zeker niet centraal bestuurd of geleid vanuit de Verenigde Staten: Hardt en Negri zetten zich af tegen samenzweringsdenkers. Het `imperium', schrijven ze, is in het leven geroepen door `de menigte' – door ons allen.

Empire gaat zelfs nog verder. Amerika komt de eer toe de humanistische en seculiere revolutie van de Renaissance te hebben voortgezet, nadat die in de Oude Wereld was gesmoord door het autoritaire denken van Descartes, Kant, Hobbes en anderen, die over alle bevrijdende spontaniteit weer disciplinerende kaders, structuren en regels legden. Ondanks de misdaden waaraan Amerika zich later schuldig heeft gemaakt, is haar Grondwet een lichtend voorbeeld van creatief seculier denken, een prelude van het netwerkdenken van het imperium dat nu de wereld beheerst en dat behalve een disciplinerende repressie ook openingen creëert voor bevrijding.

Empire is een boek in de overdrive. En in talrijke passages vliegt de machine gierend uit de bocht, zelfs als je de marxistische retoriek voor lief neemt. Negri en Hardt gaan er bijvoorbeeld te makkelijk van uit dat er geen veerkrachtig middenveld, of civil society, meer staat tussen individuen en de razende kapitaalstromen. Aan de effecten van regelgeving, die juist dient om het kapitalisme in te snoeren, wordt geen woord vuil gemaakt: dat is vermoedelijk allemaal `ideologie'. Zoiets geeft misschien pas in een radicale theorie, maar het blijft een grove miskenning van de werkelijkheid.

Hun weergave van de geschiedenis van de Europese filosofie is ook nogal excentriek. De kentheorie van Immanuel Kant – die zelf door de Pruisische autoriteiten werd gecensureerd wegens zijn anti-kerkelijke uitlatingen – wordt verdraaid tot autoritair denken dat de vrijheid van het humanisme weer ongedaan maakte. De Verlichting wordt zo een `contra-revolutie'. Maar dat is fantasy, geen ideeëngeschiedenis.

En kun je de Vietnam-oorlog nog rustig een `fundamenteel voorbeeld van verzet tegen het internationale disciplinaire systeem' noemen? Was het niet eerder een oorlog die werd gewonnen door een ander disciplinair systeem met mondiale aspiraties? Even onbekommerd is het betoog over de afschaffing van de slavernij, die onder meer de boutade bevat dat `een slaaf die nooit heeft gevochten, die zijn vrijheid simpelweg krijgt van zijn meester, altijd een slaaf zal blijven'. Daar kunnen de – burgerlijke – abolitionisten het mee doen.

Ook over het begrip `terreur' en het gebruik van geweld zijn Negri en Hardt onbehaaglijk vaag. Terreur zegt vooral iets over de `politie-mentaliteit' van hen die het gebruiken om dissidenten te stigmatiseren of uit te schakelen, menen ze, zoals de VS deden met Khaddafi of Osama bin Laden. Wel heerst er natuurlijk `staatsterreur'. Het is bekende kost uit de `stadsguerrilla' en uit de linkse kraakwereld van de jaren tachtig, waarin men zich door het aanschaffen van een bivakmuts buiten de maatschappij dacht te plaatsen. Die achtergrond, en de zwijgzaamheid over geweld, maken Empire bij vlagen ook een verdacht boek – welke stille wensen hebben deze auteurs, en dan vooral Negri? Nergens gaat hij in op zijn persoonlijke en ideologische achtergrond, de achterflap vermeldt sober dat hij een `onafhankelijke auteur' is en een `gedetineerde van de Rebibbia gevangenis te Rome'.

Ja, Hardt en Negri hopen op `revolutie'. Maar dat blijft een vaag begrip. Ze stellen dat het geen zin heeft buiten het imperium te willen treden (er is namelijk geen `buiten' meer) maar dat de globalisering van binnenuit over de kop moet worden gejaagd, door het proces zoveel mogelijk te versnellen. Hier klinkt een echo van het futurisme. Maar wat hebben hun voorbeelden van rebellie – het Tiananmen-plein, de intifada, de rebellie in Chiapas, en de rassenrellen in Los Angeles in 1992 – te maken met versnelling?

Elders schilderen ze daarentegen de `nomade' als hun verzetsheld, een subject dat zich onttrekt aan de discipline van het systeem. Een citaat: `De wil om tegen te zijn heeft een lichaam nodig dat ongeschikt is om zich aan te passen aan gezinsleven, fabriekswerk, een traditioneel seksleven. enzovoorts. Als je merkt dat je lichaam die `normale' manieren van leven afwijst, wanhoop dan niet – tel je zegeningen!' Dat is drop out-romantiek uit de jaren zestig – en hoe die maatschappelijke totaalweigering zich verhoudt tot het `versnellen' van het systeem, blijft ook een raadsel.

De echte opening voor revolte schuilt in de productie van nieuwe en dissidente `subjectiviteiten', omdat het kapitalisme in die sfeer van identiteit en creativiteit nu zijn hoogste bloei doormaakt. De auteurs onderstrepen naar goed activistisch gebruik dat ze geen `blauwdruk' leveren: alleen de praktijk, de daad, kan uitwijzen hoe de revolutie eruit zal zien. Eén vingerwijzing geven ze wel: die revolutie zal bestaan uit de verovering van de middelen waarmee subjectiviteit wordt `geproduceerd'. Maar wat betekent dat? Een bestorming van de NOS-studio's? Een maoïstische Love Parade? Nog meer columns van Naomi Klein?

Aan het slot van het boek volgen enkele meer concrete wensen en eisen. Hier flakkert de nachtkaars heftig. Negri en Hardt bepleiten mondiaal burgerschap, een basisinkomen, en democratisch bezit van de productiemiddelen. Zo verdampt de klassenstrijd, als het verlanglijstje uit de binnenzak komt. Slavoj Zizek, die het boek besprak voor de Süddeutsche Zeitung, heeft de auteurs die vaagheid verweten – al heeft hij volgens Hardt per email toegegeven zelf ook `geen idee' te hebben hoe de revolutie eruit moet zien. Het is niet het soort email-verkeer waar de leiders van de G-8 wakker van zullen liggen.

Ons kapitalistische imperium is `decadent en in staat van ontbinding', menen Negri en Hardt. Juist omdát het zo goed werkt. Het hult zich in een wolk van corruptie, en dat komt door `het ontbreken van een ontologisch fundament in de biopolitieke praktijken van het leven'.

Het is allemaal goed nieuws. Het einde is namelijk in zicht, en de afloop zal van ons afhangen. Dat is ook een – vijandige – manier om een eigenschap van de westerse cultuur uit te drukken die meestal wordt geprezen als `liberaal': het vermogen tot zelfkritiek, tot aanpassing en vernieuwing. Als de lezers van Empire dáár hun hoop op vestigen, zijn ze inderdaad, gelukkig, nog steeds `binnen'.

Michael Hardt en Antonio Negri: Empire. Harvard University Press (2000), 478 blz. ƒ99,95.

Een paperback-editie verschijnt deze maand.