De blinde camera

Als oorlog en chaos uitbreken, schrijven amateurfilmers de geschiedenis. Vierde aflevering van een serie over momenten dat de filmkunst de geschiedenis tegenkwam.

Met de uitvinding van de fotografie en later de film is gaandeweg het amateurisme de professionele geschiedschrijving binnengedrongen. Een sluimerend competentie-conflict. Het bestaat uit de ambitieloze onbevangenheid van het kiekje, de 16-mm- en naderhand de 8-mm-film van de liefhebber tegenover de uitgekiende blik van de professional, die zich ter meerdere onderscheiding ook nog heeft uitgerust met kostbare apparatuur in schokvrije koffers, lampen en lenzen, een perskaart, een aanbevelingsbrief en de beleefd verworven toestemming van de autoriteiten.

De belichaming van al die officiële status verlenende attributen is jarenlang het statief geweest, waarmee de beroepswaarnemer doorgang door de afzettingen werd verleend, die de amateur op afstand hielden. Het standpunt van het statief was van meet af aan nauwelijks te onderscheiden van het officiële standpunt. Het vergezelde de hoogwaardigheidsbekleders op de eretribune en gaf overzichten van de menigten in stadions, op pleinen en boulevards. Onder de daar samengestroomde massa's en in de vrijwel verlaten zijstraten van de Grote Gebeurtenissen bevonden zich de belangeloze liefhebbers. De identificatie met het gezag, waaraan de beroepswaarnemers al spoedig na hun entree in het openbare leven ten prooi vielen, is treffend te zien in de reportages die Polygoon sinds 1924 voor het wekelijkse bioscoopjournaal verzorgde van de Opening der Staten-Generaal op Prinsjesdag. Omdat het parcours van de Gouden Koets door Den Haag en over het Binnenhof, het halthouden, uitstappen, bestijgen der trappen en binnentreden van de Ridderzaal elke derde dinsdag van september volgens een onveranderlijk protocol verliep, hadden ook de Polygoon-statieven daarin hun vaste plaats verworven.

Wie in het archief van de journaalfabriek de vastgelegde gebeurtenissen op Prinsjesdag van 1924 tot en met 1939 voor zich laat afdraaien ziet tussen de zestien rond het Binnenhof verstrijkende jaren nauwelijks verschillen. Ja, de weersomstandigheden natuurlijk en bij nauwkeurige beschouwing soms een changement in de rolverdeling van de hofhouding, maar in de filmstandpunten en de gedragen camerabewegingen die de vertrouwde route volgden, trad in al die jaren geen verandering op. Ook in 1939 niet, toen koningin Wilhelmina wegens de dreigende oorlog plotseling in een neutrale limousine naar de Ridderzaal werd vervoerd. Van het ooit vastgelegde parcours werd echter niet afgeweken.

Wilhelmina droeg nu een mantel. Niettemin aarzelde de camera bij het bestijgen der trappen, wachtend op de handelingen met de sleep.

Eind mei 1940 — de koningin was met een deel van haar hofhouding, een deel van haar regering naar Engeland uitgeweken — besloot Rijkscommissaris Seyss Inquart zijn gezag over het bezette Nederland te aanvaarden tijdens een fantoom-plechtigheid, sprekend gelijkend op de traditionele Prinsjesdag. Ook hij liet zich met zijn ijzeren hofhouding door Den Haag protocollair naar de Ridderzaal rijden. De cameramensen van het bioscoopjournaal namen hun vertrouwde posities in en wat we nu in het Polygoon-archief van de gestolen ceremonie terugzien, is dat Seyss Inquart niet op de hoogte is van de hier al zoveel jaren geldende mise-en-scène. Zijn auto parkeert waar de Gouden Koets nooit stopte. Hij stapt aan de verkeerde kant uit. Hij hinkt haastig waar de koningin schreed. De treden naar de Ridderzaal neemt hij op een holletje, waar Wilhelmina juist inhield. Maar de cameramensen, die hun taak op het Binnenhof al jaren slapend hadden verricht, blijken zich van de kwaadaardige nieuwigheid niets aan te trekken. Hun lens volgt stil de route van de verdwenen vorstin, zodat Seyss Inquart verdwaald van links naar rechts en weer terug door het beeld waart. De Polygoon-professionals hadden de plechtigheid vastgelegd die hier eigenlijk had moeten plaatsvinden.

Het leek een verholen verzetsdaad, maar was in werkelijkheid een schokkend blijk van de blinde vlek, die speciale staaraandoening waaraan het beroepsoog lijdt dat te lang is blootgesteld aan de stralende nabijheid van het gezag.

Amateurbeelden hadden hier uitkomst kunnen bieden, maar omdat de belangstelling en historische waardering ervoor pas van het begin van de jaren zeventig dateert, zijn die mogelijk uit onachtzaamheid verloren gegaan, of rusten onopgemerkt in de nalatenschap van getuigen, op zolders die nog niet zijn opgeruimd.

Ze worden al mondjesmaat verzameld in stadsarchieven en in de collecties van het Smalfilm-archief, en daarin zien we wat zich ooit afspeelde in `de zijstraten van de geschiedenis'. Ze tonen, veelal op plaatsen waar de officiële camera's nooit kwamen, onbeholpen en daardoor vaak veelzeggend, hoe de mensen zich vermaakten en dan ter kerke gingen, wat er in winkels en op markten te koop was, hoe de kleine gebeurtenissen eruit zagen die aan de Grote Gebeurtenissen vooraf gingen. En soms traden de amateurs in de rol van de beroepsgetuigen wanneer deze — met het bijbehorende gezag — afwezig waren. Het meest spectaculair zou die rolverwisseling aan de dag treden in de laatste april- en eerste meidagen van 1945, toen een groot deel van Nederland aan zichzelf was overgeleverd.

De Duitse gezagsstructuur was ingestort, de Nederlandse autoriteiten waren nog in geen velden of wegen te bekennen. Amateurs in Groningen, Blaricum en Utrecht — ik heb hun hartbrekende beelden jaren later kunnen zien — legden vanuit erkers, zoldervensters of verscholen onder de liguster in de voortuin vast hoe de chaotische terugtocht van de Wehrmacht zich voltrok. Het gescharrel met stukken geschut door de duistere lanen van 't Gooi, hoe soldaten de houtgeneratoren op hun afgeleefde auto's vulden met gesloopte trapleuningen en keukenstoelen, de weggegooide wapens, de witte vlaggen. ,,Allemaal onscherp'', mompelde de gepensioneerde beroepsgetuige die met me mee zat te kijken.

In 1974 liet de toenmalige kabinetschef van premier Den Uyl me op een boven het dressoir gespannen tafellaken het filmverslag zien dat hij had gemaakt tijdens de fietstocht, die hem in de laatste oorlogsdagen van zijn onderduikadres in Alkmaar naar zijn woonplaats Den Haag had gevoerd. Angst, vreugde, schaamte, opluchting — door de onbevangenheid waarmee hij toen onderweg had rondgekeken, waren ook zijn emoties tijdens die lange rit onbelemmerd in beeld gebleven.

Op 7 mei 1945 werden de bevrijders, Engelsen en Canadezen, op de Dam in Amsterdam verwacht. Voor het Paleis was al een podium gebouwd met een spreekgestoelte, en in afwachting van de autoriteiten stond aan de overkant een vrachtautootje geparkeerd met op de open laadbak achter de cabine een professionele camera op statief. Bert Haanstra, toen nog fotograaf maar dromend van een filmcarrière, bevond zich in de feestende menigte en werd plotseling getroffen door de onbemand opgestelde filmcamera. ,,Daar stond mijn toekomstdroom, een Debrie-camera'', vertelde hij me kort voor zijn dood in 1997. ,,Ik had zo'n ding nog nooit van dichtbij gezien, dus ik eropaf. Er stond niemand bij, dus misschien kon ik hem wel aanraken. Ik wou net op die auto klimmen toen het schieten begon, ik kon er nog net onder kruipen.'' Vanaf het dak van de Groote Club op de hoek van de Paleisstraat had een daar gedetacheerde afdeling van de Duitse Kriegsmarine het vuur op de vrolijke massa geopend. Er vielen 22 doden en tientallen gewonden. Naderhand is gebleken (zie De Dam 7 mei 1945 door Flip Bool en Veronica Hekking, Leiden/Amsterdam, 1992) dat het gruwelijke incident vanuit vrijwel alle denkbare standpunten tot in de zijstraten aan toe door leden van `De Ondergedoken Camera' en amateurs is gefotografeerd. Vanonder de vrachtauto maakte ook Haanstra foto's. En nog regelmatig komen anonieme filmstroken van de gebeurtenis boven water, gekoesterd door het Amsterdams stadsarchief. Maar geen van die fragmenten vertonen het standpunt van Haanstra's toekomstdroom.

Hij herinnerde zich hoe hij na het schieten onder de auto vandaan was gekropen om dan eindelijk de Debrie-camera van nabij te inspecteren: ,,Maar hij was weg, verdwenen, met statief en al.'' En hij grinnikte: ,,Misschien had de onzichtbare cameraman hem in veiligheid gebracht, want het waren dure spullen, hoor.'' De Dam-foto's van de verlaten camera op statief als metafoor voor de officiële waarneming in tijden van gevaar keerden enkele maanden geleden plotseling weer in het geheugen terug, toen de nieuwslezer in het televisiejournaal van 14 november zich zijn professionele standpunt herinnerde. Het ging over het nieuws van een brand in een Oostenrijkse verkeerstunnel. Meer dan honderd inzittenden van vastgeraakte auto's hadden daarbij het leven verloren. ,,Er zijn alleen beelden van een amateurfilmer beschikbaar,'' zei de nieuwslezer. ,,Wij waarschuwen u voor de slechte kwaliteit ervan.'' Wat er toen vertoond werd, was ademstokkend.

En inderdaad, allemaal onscherp.