Weerbare democratie

TURKIJE HEEFT de afgelopen jaren verschillende malen politieke partijen in de ban gedaan. Viermaal is daarover geklaagd in Straatsburg, waar het Europees Hof voor de rechten van de mens waakt over de democratische rechtsstaat. Drie, ook wel zeer vergaande, partijverboden heeft dit afgewezen. Maar nu heeft het Europese hof een verbod van de Welvaartspartij van Necmettin Erbakan gebillijkt. Het heeft er om gespannen, getuige de stemverhouding onder de rechters van vier tegen drie. Deze zaak springt er in verscheidene opzichten uit. Van de eerdere gevallen valt nog te zeggen dat het om vrij prille splintergroepen ging. De Welvaartspartij dateert van 1983 en had 158 gekozen volksvertegenwoordigers.

Het is juist dit politieke gewicht dat Erbakan en de zijnen in Straatsburg de das om lijkt te hebben gedaan. De meerderheid van het hof wijst er op dat de bedreiging van het fundamentele beginsel van scheiding van kerk en staat die van de Welvaartspartij uitging, gezien haar verworven positie allesbehalve ,,theoretisch of illusoir'' was. De minderheid brengt daartegenin dat de omstandigheid dat het streven van een politieke partij onverenigbaar lijkt met de bestaande beginselen en structuren van een staat, zo'n beweging nog niet diskwalificeert.

Het is volgens de minderheid juist essentieel voor een democratisch bestel dat het toestaat verschillende opties voor te schotelen zolang deze maar niet in strijd komen met de democratie zelf. Maar het verwijt aan de fundamentalistische oriëntatie van de Welvaartspartij was nu net dat zij zich richtte tegen de staat als ,,neutrale en onpartijdige scheidsrechter tussen verschillende religies'', zoals het hof het noemt. Het gaat niet te ver dit te bestempelen tot een pijler van de democratische rechtsstaat.

Toch is het verbod kantje boord. De Welvaartspartij is opgeknoopt aan een aantal uitlatingen van voormannen waarvan de meerderheid in het Europese hof toegeeft dat ze elk afzonderlijk waarschijnlijk niet tot een verbod konden leiden. Daartoe behoorden overigens wel buigingen naar een ,,heilige strijd'' en ,,haat''. De officiële doelstellingen van de partij waren zo geformuleerd dat zij geen houvast boden voor een verbod, zoals de minderheid opmerkt. Maar officiële doelstellingen zeggen niet alles. Dat geldt trouwens zowel voor partijen als voor de staten zelf.

DE DUIDELIJKE stellingname van het Straatsburgse hof tegen een fundamentalistische ideologie verdient instemming. Maar een partijverbod is hoe dan ook een uiterst middel in een democratie. Vier tegen drie rechters is dan niet sterk. Het aardige van het Europese hof is dat dit zo duidelijk blijkt. In Nederland hullen rechterlijke colleges zich in het geheim van de raadkamer.

Heeft de casus van de Welvaartspartij nog een andere boodschap voor Nederland? Het zit per slot van rekening bij alle evidente verschillen van schaal samen met Turkije in hetzelfde Europese verdrag voor de rechten van de mens. De Nederlandse traditie met partijverboden is er een van terughoudendheid, maar er zijn ook hier pleidooien voor een ,,weerbare democratie'' in de vorm van verbodsacties. Een strategie van directe doch afgemeten justitiële reacties op uitingen van extremisme is echter dominant. Dat is meer dan alleen een kenmerk van een polderdemocratie. Dit alternatief komt onvoldoende tot zijn recht in de Straatsburgse uitspraak, die voor heel Europa geldt.