De Spaanse griep

In 1918, het laatste jaar van de Eerste Wereldoorlog, raasde een dodelijke ziekte met hoge snelheid over de wereld, die uiteindelijk veel meer slachtoffers zou maken dan al het zinloze bloedvergieten in de loopgraven bij elkaar. Vanaf eind mei verschenen in het Algemeen Handelsblad voor het eerst terloopse mededelingen over de naderende ramp. Het begon met het nieuws dat in Spanje de koning en het voltallige kabinet aan een geheimzinnige ziekte leden, die zich snel over Spanje verspreid had en inmiddels 30 procent van de bevolking had geïnfecteerd. Aan dit berichtje durfde de redactie nog toe te voegen dat men de ziekte `als van niet ernstige aard' beschouwde.

Op deze laatste opmerking moest men al heel snel terugkomen: de ziekte zou uiteindelijk over de gehele wereld toeslaan – met uitzondering van de afgelegen eilanden Samoa en St. Helena. Het aantal dodelijke slachtoffers bedroeg ten minste 20 miljoen. Er zijn schattingen die zelfs van 100 miljoen gewagen.

Aan de toevalligheid dat het grote publiek het eerste nieuws over de mysterieuze ziekte van het Spaanse persbureau Agencia Fabra vernam, dankt zij haar naam: de Spaanse griep.

Het virus vond naar alle waarschijnlijkheid zijn oorsprong in het zuiden van China, waar het al in 1915 actief was. Over hoe het virus naar Europa kwam, doen verschillende verhalen de ronde. In de ene versie worden Chinese arbeiders genoemd die voor de geallieerde legers loopgraven aanlegden. In de kampen rond het Franse Montreuil waren Kantonese arbeiders gehuisvest, die het sluimerende virus inderdaad kunnen hebben verspreid. Anderen noemen Amerikaanse militairen die de besmetting vanuit Boston naar Europa zouden hebben meegenomen.

Hoe het ook zij, de wereldwijde verspreiding van de Spaanse griep werd in 1918 door de zich uitbreidende oorlogshandelingen zeker bespoedigd. Ook Nederland raakte – ondanks de neutraliteit – in de ban van deze ziekte. Rond de tiende juli was deze bij Elten en Emmerik, in de Achterhoek, ons land binnengekomen.

De Nederlandse krantenlezer werd met bijna statistische nauwkeurigheid op de hoogte gehouden van de wijze waarop de `Spaansche ziekte' huis hield. In het begin was de toon nog sussend: er waren dan wel honderden gevallen van griep geconstateerd, maar geen enkele met dodelijke afloop. Beklemtoond werd dat de patiënten weliswaar hoge koorts, hoofdpijn en rugpijn hadden en dat zich een algehele vermoeidheid van hen meester maakte, maar dat ze na drie of vier dagen weer hersteld waren.

Verzekeringen als zou de ziekte `niet kwaadaardig' en `van voorbijgaande aard' zijn, konden niet voorkomen dat er toch vrij snel een paniekstemming ontstond. De gezondheidsdiensten probeerden de bevolking gerust te stellen met het geven van twee gouden adviezen: 1) `Laat bij dag en nacht zooveel mogelijk versche lucht in Uw woning toe. Laat ieder naar vermogen medewerken om voortdurende, flinke luchtverversching ook tot stand te brengen in allerlei plaatsen en inrichtingen, waar veel menschen bijeenkomen, als scholen, kantoren, werkplaatsen, fabrieken, winkels, weeshuizen, kazernes, booten, trams, treinen, enz.' 2) `Laat, voorzoover het van U afhangt, geen stof worden opgejaagd in huis en in al de plaatsen hierboven genoemd. Stof verontreinigt en prikkelt oogen, neus en keel en kan in een tijd van besmettelijke ziekte dubbel nadeelig zijn. Droog opvegen van de vloer is voor een deel enkel stof opjagen. Het meest afdoende is ongetwijfeld het gebruik van een stofzuigtoestel. Voor het overige dient opgenomen te worden, liefst met vochtige dweilen en doeken, of anders na besprenkeling met water.'

Deze adviezen zijn thans algemeen ingeburgerd en aanvaard, in 1918 was dit nog niet het geval. Toen een passagier in de Amsterdamse tram de conducteur verzocht om de zijramen aan één kant open te zetten, kreeg deze nul op het rekest. ,,Het openen en sluiten van tramwagenramen geschiedt alleen en uitsluitend op bevel van de tramdirectie'', was het antwoord. In de krant legde de directie nogmaals uit hoe men te werk ging en dat men, ondanks de dreiging van besmetting, geen reden zag daarvan af te wijken. ,,Zodra de buitentemperatuur 62° F is, worden op verschillende plaatsen in de stad roode schijven zichtbaar als waarschuwingsteken voor den conducteur, dat de ramen open kunnen. Bij plotselinge slagregen of daling der temperatuur verdwijnen de schijven en de ramen worden gesloten.''

De tramdirectie kreeg overigens zelf de rekening gepresenteerd voor het in de wind slaan van de adviezen: binnen 14 dagen na de eerste gevallen hadden van het personeelsbestand van 3.200 man er zich 800 ziek gemeld. Ook bij andere instellingen waar het personeel veel met andere personen in contact kwam, lagen de verzuimpercentages in deze orde van grootte. Het dagelijks leven werd er behoorlijk door ontwricht. Maar noch de rijksoverheid, noch gemeentebesturen voelden zich geroepen om in te grijpen. Een uitvoerige en levendige discussie in de Amsterdamse gemeenteraad in oktober 1918 om, als preventieve maatregel, de scholen tijdelijk te sluiten, leverde uiteindelijk niets op.

De Spaanse griep heeft één groep geen windeieren gelegd. De vele pillendraaiers en drankjesbrouwers zagen als eersten het gat in de markt. De abdijsiroop, de Lelie hoestpastilles, staalpreparaten van ANOR, Wortelboer's pillen en kruiden, Engelse menthol-snuif, menthaformtabletten en Obat Akar (een Indisch geneesmiddel) werden alle aangeprezen als hét middel bij uitstek tegen de Spaanse griep. De reguliere geneeskunde had overigens weinig alternatieven te bieden. Verder dan frisse lucht, het mijden van menigten, gorgelen en het dragen van maskers voor de mond kwam men niet.

Pas in 1997 kregen wetenschappers de eerste genetische informatie van het 1918-virus boven water. Hiertoe bestudeerden zij 28 in paraffine ingebedde stukjes longweefsel van in 1918 aan de griep overleden militairen. Dit onderzoek toonde aan dat het reeds langer bestaande vermoeden juist was dat het virus nauw verwant was aan het klassieke varkensvirus.

Ook bij de twee laatste grote griepepidemieën – de Aziatische griep in 1957 en de Hongkong-griep in 1968 – was het varken de belangrijkste verdachte voor de bron en het overbrengen van het virus. De Inspectie voor de Gezondheidszorg houdt het voorlopig bij de opmerking dat waakzaamheid geboden blijft. Ook in dit opzicht lijkt er met 1918 niet veel veranderd te zijn.

A.C. de Gooijer, De Spaanse Griep van '18. De epidemie die meer dan 20.000.000 levens eiste (Amsterdam, 1978).