De grenzen van de bijouterie

De expositie van Belgische en Nederlandse sieraden in Gent geeft een rijk overzicht van cultuurverschillen in het moderne sieraadontwerp: van beweging tot individualisme, van goud tot klittenband, van klassieke broche tot het idee als opsmuk.

De bovenverdieping van het Museum voor Sierkunst en Vormgeving in Gent is gevuld met losse tafels met daarop rechthoekige uitstaldoosjes. Strak vormgegeven leeslampen buigen ernstig hun glimmende hoofden boven de glasplaten. Wie de trap afdaalt, denkt beland te zijn in een andere expositie, misschien zelfs een ander museum. Klassieke museumvitrines met voetstukjes staan netjes in het gelid langs de wand; strenge, donkere kleuren overheersen hier. Toch maken de twee zalen deel uit van dezelfde tentoonstelling, namelijk `België-Nederland, juweelkunst 1945-2000'.

De radicale stijlbreuk in expositietechniek is illustratief voor de inhoud van de expositie. Tussen de Belgische en Nederlandse sieraadkunst van de afgelopen halve eeuw gaapt namelijk een kloof. Terwijl de Nederlandse sieraadgeschiedenis overzichtelijk is in te delen in sleutelfiguren, scholen en stromingen, vormen de Belgische sieradenontwerpers een versplinterd clubje individualisten. Al meteen bij het historische uitgangspunt van de expositie, de periode direct na de Tweede Wereldoorlog, zijn de verschillen enorm. In Nederland geven dan edelsmeden de toon aan. Vakmanschap en technische perfectie zijn de belangrijkste criteria. De met edelstenen ingelegde gouden broches, oorbellen en hangers van Archibald Dunbar en Riet Neerincx zijn geraffineerd in ontwerp en klassiek in uitstraling.

In deze periode lopen er in België nauwelijks edelsmeden rond. De creatieve impuls komt van beeldhouwers en de sieraden die zij maken zijn draagbare sculptuurtjes met een monumentale uitstraling. Emile Souphy's collier Cravate is een das van verzilverd leer waar de parels en diamanten als decadente puisten bovenop liggen. De broches van Klauwde Wezel lijken nog het meest op delen van gedemonteerde radio's: het zijn miniatuurinstallaties van gespannen veren, verbindingsoogjes en veel industrieel ogend roestvrij staaldraad.

De vroege Belgische sieraadontwerpers zijn een stuk avontuurlijker dan hun ambachtelijke tijdgenoten uit Nederland. Maar de rollen worden snel omgedraaid als in de jaren zestig in ons land de `aluminiumrevolutie' uitbreekt. Gijs Bakker en Emmy van Leersum leiden de triomftocht van `Hollands Glad' die tot in `Swinging London' weerklank vindt. Bakkers reuzenarmbanden van golvend aluminium zijn ook nu nog hypermodern. Dat geldt minder voor de futuristische helmen die er uitzien als blinkende oorwarmers, de als absurde korsetten ogende metalen kragen en de halskettingen in de vorm van kachelpijpen. Ooit bedoeld als verzet tegen de tradities, vallen de ontwerpen nu keurig in het kunsthistorisch kader van minimalisme en pop-art.

Ook het anti-elitairisme, dat spreekt uit bijvoorbeeld Van Leersums armbanden van gelamineerd toiletpapier, schopt het tot stroming in de jaren zeventig. De groep ontwerpers rondom Hans Appenzeller maakt onder de naam Serie Sieraad laagdrempelige versiersels van rubber, klittenband, felgekleurd hardplastic en zelfs pijpenragers. Maria Hees en Marga Staartjes voorzien de navelstaarders van het ik-tijdperk van vrolijke armbandjes gemaakt van ingekerfde plastic tuinslang en geperste schuursponsjes.

Een decennium later staat de sieradenkunst geheel in het teken van de individualisering. Het sieraad promoveert tot vehikel van hoogst persoonlijke expressie en heet dan ook niet meer gewoon `halsketting' of `armband' maar `draagbaar object'. Met de Cobble collar van Paul Derrez, een ketting van gekleurde bollen kurk in de vorm van een tros aardappelen, of Gijs Bakkers buitenproportionele voorschoot met daarop een foto van een behaarde mannenborst had je midden jaren tachtig in elk geval niet te klagen over bekijks. Nog extremer zijn de objecten van textiel gemaakt door LAM de Wolf: flodderige boa's van repen stof en met katoen omwikkelde ijzerdraadconstructies die als een misvormd wasrek om de drager heen hangen.

Het grote gebaar van de jaren tachtig maakt in de jaren negentig plaats voor hernieuwde aandacht voor structuur. Annelies Planteijdt speelt op bijna mathematische wijze met schakels, die de vorm hebben van wolken, rechthoeken, schilderspaletten of amoebevormige vlekken. Philip Sajet becommentarieert het traditionele gebruik van edelstenen door doelbewust een blinkende citrien in het hart van een kitscherige roze kunstbloem te plaatsen.

Het totale ontbreken van een dominante stijl, school of richting dat zich nu in de Nederlandse sieraadkunst manifesteert, zorgt in België al decennialang voor een breed uitwaaierend aanbod. Superstrak en bijna industrieel zijn de armbanden die Siegfried de Buck maakt van goud, rubber en olifantenhaar. Daniel Weinberger, die zijn ontwerpen bestempelt als `knutselarij', is zijn stilistische tegenhanger. Zijn riemen met dierenbotten en neusknijper van zilver, parels en schildpadhuid doen denken aan de accessoires van een sjaman. De halskraag die Christophe de Ranter maakte van een kluwen ragfijn zilverdraad en een handvol diamanten is schaamteloos decadent. En Patrick Marchal spot juist met de financiële waarde van sieraden door een kroon het meest archaïsche en koninklijke sieraad denkbaar in te leggen met gestempelde goudtabletten van 50 gram uit de kluizen van Credit Suisse.

Maar het is Ludovik Colpaert die van de jonge Belgen het verste gaat met het oprekken van de grenzen van de bijouterie. Een ring wordt in zijn handen een duimschroef van messing en zilver. Voor verloofden maakte hij uit hangsloten en de bijbehorende sleuteltjes twee `Freud-heupkettingen'. En zijn `Ring-ring-ring' is precies wat de naam belooft: drie ringen. De eerste is een ring om de vinger in de vorm van een deurbel. De tweede een ring van elektriciteitskabels vanaf de vinger rondom het lijf. En die snoeren eindigen in de derde `ring': een enorme rode alarmbel op de rug van de drager. Dit is een sieraad voor de 21ste eeuw: een idee als opsmuk.

Expositie `België-Nederland: juweelkunst 1945-2000'. T/m 9 september in het Museum voor Sierkunst en Vormgeving, Jan Breydelstraat 5, Gent. Open: di t/m zo 10-18u. Inl 003292679999.