Bloed in beeld

Wat heeft televisie toch met erge ziektes? Er gaat geen dag voorbij of tenminste één zendgemachtigde meldt zich ergens in het land op het bezoekuur. Er zijn dagen dat ze elkaar bij wijze van spreken op de stoep verdringen nog voor de bel gegaan is dat je naar boven mag.

Afgelopen maandag bracht de EO bloemen mee voor Iris, die twee jaar was toen ze leukemie kreeg en bezocht de NCRV een verpleeghuis vol stokoude kwakkelaars in Bergen op Zoom. De volgende dag rende een cameraploeg een operatiekamer in voor een ernstig darmgeval. Donderdag mogen we een traumateam verwachten benevens een geslaagde keeloperatie. Vrijdag krijgen we het lijden van Job ingepeperd.

Waarom kan er geen ontsmet mes in de opperhuid gezet worden zonder dat een ploeg jongelui met geluids- en beeldapparatuur over de schouder van de chirurg meekijkt? Gisteravond waren de intensive care en de plastische chirurgie aan de beurt.

Over de intensive care had de EO zich ontfermd en over de plastische chirurgie Net5. Een begrijpelijke verdeling. De gelovige camera wil ons graag in het uur van onze nood treffen. Als de chirurg geen verlichting brengt dan de Heer wellicht verlossing. De commerciële camera daarentegen wil de blijde boodschap overbrengen dat er met wat geld nog best iets aan het uiterlijk geluk te doen valt. Gezamenlijk zullen ze het scherm wekenlang bloedrood kleuren. Van Intensive care volgen nog twaalf afleveringen en van De plastisch chirurg nog zes.

Intensive Care is opgenomen in de universitaire ziekenboegen van Rotterdam en Leiden. We volgden een jongetje met een ernstige hartafwijking, een vrachtwagenchauffeur met een bekkenfractuur en een vrouw die een gaatje had in haar buikwand. Het jongetje was hartbrekend kwetsbaar, de chauffeur was flink en met de vrouw was, op dat gaatje na, ook niets mis. Maar waarom moeten u en ik er getuige van zijn als de chauffeur gevraagd wordt hoe het staat met zijn potentie, als de vrouw een enorm stuk gaas in haar geopende buik gestopt krijgt en als de ouders van het jongetje balanceren tussen hoop en wanhoop? Als bijdrage aan onze medische kennis? Alsof ik nu méér begrijp van kransslagaders. Uit piëteit voor de zieke medemens? Daarvoor hoef ik toch geen bouten en moeren in een onderbuik te zien verdwijnen?

Waarom zijn de omroepen zo ontzettend dol op de operatiekamer? En waarom werken de dames en heren hart-, bot- en buikchirurgen con amore mee aan het publiek vertoon? De laatste vraag is makkelijk te beantwoorden. Tot hun eigen meerdere eer en glorie. In Intensive care werd ons met gedragen stem voorgehouden dat Leiden ,,een grote reputatie opgebouwd'' heeft qua jongetjes met een hartafwijking en dat Rotterdam ,,toonaangevend'', is ,,ook in de vaktijdschriften'' op het gebied van gaatjes in de buikwand.

De voorkeur van de omroepen berust vermoedelijk op de gedachte dat erge ziektes, op het weer na, het meest geliefde gespreksonderwerp vormen. Het lijden van de een draagt niet weinig bij aan het geluksgevoel van de ander die daar gezond en wel getuige van is.

Deel twee van De plastisch chirurg bleek de platte, voyeuristische variant van het verschijnsel. Er was een mevrouw die haar oogleden strakker wilde hebben. Terwijl het mes haar huid binnendrong leverde een Radio3-achtige mannenstem commentaar: ,,Was je daar nou zo bang voor?'' De dienstdoende plasticus vond foutjes eigenlijk het mooiste aan het menselijk lichaam, maar als iemand ze onder zijn kunstenaarshanden hersteld wilde hebben dan had hij daar ook geen bezwaar tegen. Hij creëerde, zei hij, een illusie. Kort daarop verschenen de eerste rode druppels.

Nu weet ik ook wel dat de big brothers onder ons de grens van wat voorheen als privé gezien werd drastisch hebben opgeschoven. Daarbij vergeleken lijkt de dagelijkse blik in het geopende lichaam tamelijk onschuldig. Maar toch, in hun ijver om de gezonde kijker te behagen met het leed van zijn medemens, verkleinen de gezamenlijke omroepen de kring van wat intiem is. De kijker wordt getuige, ook op plaatsen en op ogenblikken waarop een buitenstaander niets te zoeken heeft.