Lof der traagheid

Zelfs Boudewijn Büch leek trager. Het kwam misschien omdat hij, zoals hij zelf zei, in de hel verkeerde. Hij was in Australië, en daar koelde het 'snachts af tot veertig graden. Overdag gutste het zweet Büch van het voorhoofd. Je rook dat zijn hemd aan zijn lijf plakte. Hij had geen puf voor de uitbundige bekkentrekkerij die hem in koeler streken nog wel eens parten wil spelen. Dan geldt voor Büch wat Geel ooit schreef over Potgieter. Die was in Zweden geweest en had daar een reisverslag over gemaakt. ,,Alsjeblieft Potgieter'', schreef Geel. ,,Ga eens opzij. Ik kan Zweden niet zien.''

Enkele tempo's lager blijkt Büch een ontzettend leuke reisverslaggever. Hij gaat op pad met een vraag. Daarop wil hij een antwoord. Dat klinkt gewoon. Maar het is uitzonderlijk. Dit keer wilde hij weten waar het Australische liedje Waltzing Matilda vandaan komt. U een zorg? Dat zou u niet zeggen als u Büch gezien had in twee elkaar op leven en dood concurrerende musea die beide hun waarheid in pacht hebben.

De avond zat toch al vol weldadige traagheid.

Dirk van Weelden had een poëtisch prozastuk geschreven op het thema `warme stadsnacht'. Aan de hand daarvan was Mark de Cloe er met de camera op uitgetrokken. Niet om de tekst te illustreren, maar om zijn eigen beeldpoëzie eronder te leggen. Het was verademend traag zou ik haast zeggen. Op zichzelf een prachtig probeersel, met maar één bezwaar: het werkte niet. ,,De zomernacht is een kostbare toestand die zich in een warm en wakend lichaam voordoet. Een vernuftige onderlinge afstelling van tastzin, reuk, gehoor en zicht.'' Dat is geen poëzie maar mooischrijverij. De beelden daaronder waren ook vaag, geen beeldtaal maar mooifilmerij. Ik dacht aan de Drentse dichter die ooit over een bundel van een collega schreef: ,,Het raak oes wel maar het schok oes niet.''

Nóg trager verliep het Finse drama van de IKON. Het betrof de introductie van een vrouwelijke predikant in een vermoedelijk Luthers mannenbolwerk. Er was geen poging gedaan vaart in de ontwikkelingen te brengen. Het voordeel was dat je op je gemak naar die prachtige Bergmankoppen kon kijken. Het nadeel was dat je na scène één wel kon voorspellen wat er in scène tien zou gebeuren. Lilli bleek eenzaam doch levenslustig. Ik denk niet dat haar collega's het leuk vinden als ze in aflevering twee iets krijgt met een eerlijke beeldhouwer.

Bijzonder snel daarentegen leek de talkshow van Jeroen Pauw uit het gebouw Panama. Er werd in adembenemend tempo niets van belang gezegd. Van Paul de Leeuw en Wilfred de Jong heeft Pauw het kunstje afgekeken zijn gasten door de zaal te verspreiden, zodat hij razend van de ene kant naar de andere kan rennen. Roetsj, gesprekje met Willem Oltmans, roetsj, gesprekje met Marijke van Hees en Gerard Spong, roetsj, gesprekje met een angstwekkend lachende, languit op de bank liggende pornokoningin, roetsj, gesprekje met een wielrenster. Het maakt de presentator tot de absolute hoofdpersoon en zijn gasten tot noodzakelijke bijverschijnselen. In dit geval gingen alle gesprekken over hetzelfde thema: de leugen. Zelfs al was die nog zo snel, de presentator achterhaalde hem wel. Was de bedoeling. Maar daar kwam het niet van omdat het programma laf geredigeerd was. Er zaten geen leugenaars in. Er zaten slachtoffers van leugenaars in. Wel werd de vuige leugen van Leeuwarden ontmaskerd dat de scheefste toren van het land daar staat. Die staat niet in Leeuwarden. Die staat in Bedum.

En verder was het de avond van Nina Brink. 's Middags zette ze de tv nog de deur uit omdat die haar, de inmiddels bewezen onschuld zelve, nooit had willen geloven. 'sAvonds zat ze desondanks bij Nova. Ze kreeg maar één kritische vraag voorgelegd. Wat of er van het fonds terecht was gekomen waarmee ze haar benadeelde aandelenkopers tegemoet wilde komen. Dat had ze toch beloofd? Nina Brink vond na veel aarzelen en stotteren het juiste antwoord. Dat was nog ,,in proces''.

,,En heeft u een glas champagne gedronken op uw goede afloop?''

,,Ik drink geen champagne.''

,,Ach. Dan had ik moeten vragen wat u wel heeft gedronken.''