Kanotochtje

,,Stop'', roep ik. Mijn dochter remt geschrokken. Was het een hert? Of erger: een eland? Hier in Zweden moet je vlug zijn. Maar de weg is leeg. Je ziet niets dan bomen. We zijn met de auto op weg naar vrienden. Ze kijkt me aan. Stoppen? Voor een beek?

Dat begrijpt ze niet. Kanovaarders kijken anders tegen de wereld aan. Het is niet uit te leggen. Gebiologeerd kijk ik naar het water dat van rechts uit het bos komt aanstormen en onder de brug door verder dendert het bos in. Ik ben de afspraak met vrienden op slag vergeten. Dit riviertje is te mooi voor woorden. Het stroomt wild en kaarsrecht. Ik klim langs het bruggetje naar beneden en loop watertandend langs de oever. Het is bevaarbaar. Niet breder dan vier meter. Krap, maar het kan. Ik moet en zal hier varen. Mijn dochter begrijpt er niets van.

Thuis gekomen kijk ik op de kaart. Het riviertje bestaat echt. Het kronkelt zich met veel bochten door het land. ,,Maar dat is allemaal bos'', zegt mijn dochter.

Ik spreek met haar af waar ik opgepikt wil worden: een bruggetje bij een dorpje zeven kilometer verderop. Ze houdt haar commentaar voor zich. Hooguit een uurtje varen, schat ik. Ze zal daar op me wachten.

De volgende dag klauter ik met de kano naar beneden, steek van wal en ga met de stroom het bos in. ,,Veel plezier'', roept mijn dochter.

Na een paar honderd meter stuit ik op een blokkade. De bedding ligt bezaaid met grote rotsblokken. Hier valt niet te varen. Met tegenzin sjouw ik mijn kano de kant op. Dat is een tegenvaller. Langs de oever is de begroeiing dicht. Sjouwen en sjorren met de kano door al die struiken is niet mijn hobby. Er komt geen einde aan. De kano weegt steeds zwaarder. De blokkade is honderden meters lang. Zo'n lange ben ik nog nooit tegengekomen.

Ik begin moe te worden van het getrek en gesjor. Het afgesproken uurtje is bijna voorbij. Zal ze wachten?

Als ik na die rotsblokken weer in de kano zit stuit ik op een omgevallen boom, hij ligt dwars over de beek. Verderop liggen nog meer bomen over de beek. Ik probeer met de kano zo hard mogelijk in de kruin te duiken en er het beste van te hopen. Soms kan ik me aan de takken er doorheen trekken.

Ik zit onder de schrammen, ik ben drijfnat en ik begin moe te worden. Dan houdt het bos op en stroomt het water vrij tussen hoge oevers. Er zijn geen obstakels meer. Ik heb haast gekregen. Mijn dochter wacht niet eeuwig. Ik ga te hard door een plotselinge haakse bocht en donder ondersteboven. Niet getreurd, omslaan hoort erbij.

Voorbij de volgende bocht volgt een verrassing. Er staat een koe dwars in de stroom. De koe kijkt naar me. Ik kijk terug. Ze blijft staan. Ik kan er niet langs. Wat nu? Ik hou de kano even stil op de stroom. Dat kan niet eeuwig duren. De hoge kant op? Daar staan ook koeien. Ik houd de kano stil op de stroom. Wat nu? Zweedse koeien hebben geen loodzware uiers en zijn beweeglijk. Die koeien hebben alle tijd. Ze hebben geen afspraak met hun dochter bij een bruggetje.

Ik besluit tot de aanval. Vol gas stuif ik met de stroom mee recht op de dwarse waterkoe af. Als ik vlakbij ben komt het sterke beest in beweging. Ik heb geluk. Als een kat van driehonderd kilo klimt het beest de steile oever op. Ik ben er voorbij. Hoera!

Achter de koe hangt een lijntje prikkeldraad dwars over de beek. Op halshoogte. Dat had ik niet gezien door die koe. Ik duik. Het prikkeldraad grijpt me bij de haren in mijn nek, het schiet los en grijpt me vast bij de stof van mijn jack. Ik zit vast. De stroom sleurt. Ik lig achterover in de kano. Nou moet ik snel handelen. Als de kano dwars op de stroom komt kan ik het vergeten. Dan gaan we weer ondersteboven. Met m'n vrije hand ruk ik het prikkeldraad los uit de stof van mijn jack. Ik ben vrij. Mijn hand bloedt.

De stroom wordt rustiger en breder. Waar hadden we afgesproken? Bij een bruggetje had ik gezegd, maar welk bruggetje? Waar is het bruggetje van de landkaart? Vanuit het water lijkt het ene bruggetje als twee druppels water op het andere bruggetje. Ik ben nu drie uur onderweg. Zolang wacht mijn dochter niet.

Bij het volgende bruggetje ontdek ik iets vreemds. Daar is aan de kant een stokje in de grond gestoken en om dat stokje zit een krant gerold. Wat kan daarvan de betekenis zijn? Wie doet zoiets? Is het een merkteken van een visser? Een krant om een stokje in een bos in Zweden. Daar moet meer achter zitten. Ik trek de kano op de oever. Nu merk ik pas hoe nat en hoe moe ik ben.

Ik strompel op stijve benen over het bruggetje. En dan zie ik een eenzame auto langs de kant van de weg staan. Mijn dochter stapt uit en slaat de handen voor haar gezicht. De opgestoken hand waarmee ik haar begroet ziet rood van het bloed. Ze is sprakeloos. Die kletsnatte vieze zwerver daar op de weg is haar vader. Hij leeft gelukkig nog.

Zij plakt een pleister op mijn hand. ,,Ik heb cantharellen geplukt in het bos aan de overkant'', zegt ze, ,,hou je van cantharellen?''