Hulp aan Derde Wereld is meer dan ooit noodzakelijk

De toenemende heftigheid van demonstraties in Seattle, Gotenburg en Genua is een uiting van een diepgevoeld onbehagen over de effecten van globalisering die de kloof tussen rijk en arm in Noord en Zuid steeds groter maakt. Het beeld van buitengaats vergaderende wereldleiders op een super-de-luxe cruiseschip, terwijl aan de wal een enorme politiemacht een veldslag voert met tienduizenden betogers is een navrante metafoor voor de wel erg ongemakkelijke positie waarin de samenleving is beland.

Hoe nu verder? Het beeld van wat er mis is, staat veel scherper op het netvlies dan de mogelijke oplossingen. Drastische maatregelen? De WTO opheffen en opnieuw handelsbarrières opwerpen? Multinationals splitsen zoals dat in de Verenigde Staten met Microsoft is geprobeerd? Dit zijn wel spectaculaire maar weinig kanshebbende en ook, bij nader inzien, niet erg zinvolle benaderingen.

Mildere en meer realistische plannen zijn het opheffen van nog steeds bestaande handelsbarrières voor ontwikkelingslanden, het kwijtschelden van schulden en het verhogen van ontwikkelingshulp zoals op 14 juli nog door Jeffrey Sachs in The Economist is bepleit. Hij ziet een noodzaak om samen met partnerinstituten in het zuiden te werken aan ziektebestrijding, het verhogen van de voedselproductie en het bestrijden van milieudegradatie. Ook het Human Development Report van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) voor 2001, Making new technology work for human development, bepleit een veel grotere samenwerking tussen Noord en Zuid in termen van research partnerships.

Dit zijn echter bepaald geen nieuwe gedachten en bovendien zijn ze weinig populair nu de effectiviteit van ontwikkelingshulp sterk ter discussie staat. Het zonder meer noemen van deze activiteiten is daarom niet meer bevredigend en acceptabel. Er moet fundamenteel worden nagedacht over de wijze waarop wij omgaan met ontwikkelingslanden, met het Zuiden. Minister Herfkens heeft in Nederland de afgelopen jaren vorm gegeven aan een nieuw ontwikkelingsbeleid. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) heeft recentelijk over dit onderwerp een rapport uitgebracht: `Ontwikkelingsbeleid en goed bestuur', dat door de regering zeer kritisch is ontvangen.

In dit rapport wordt een vraagteken gezet bij de wijze waarop landen worden gekozen waarmee een bilaterale samenwerkingsrelatie wordt aangegaan. Belangrijker voor deze discussie is echter de kritiek op de wijze waarop het begrip ownership door Herfkens lijkt te worden geïnterpreteerd.

Uit een overigens wel begrijpelijke angst dat donoren van hulp zich weer ingrijpend met de aard van de hulp willen bemoeien wordt in het Nederlandse beleid, in navolging van het beleid van de Wereldbank, een accent gelegd op autonoom handelen van de ontwikkelingspartners: zij bepalen wat gedaan moet worden en in principe doen zij het ook zelf. De WRR is van mening dat de slinger hier wat ver is doorgeslagen en dat het zinvoller is om toe te werken naar samenwerkingsverbanden, partnerships, waarin de agenda weliswaar wordt bepaald door het Zuiden maar waar gemeenschappelijk wordt gewerkt. Ruimte dus ook voor experts uit het Noorden, die nodig zijn, want bepaalde expertise is in de arme landen gewoon niet aanwezig.

De WRR pleit voor een realistische en open benadering voor ontwikkelingssamenwerking waarin ook de vraag gesteld mag worden wat de Nederlandse belangen zijn en hoe wij het meest effectief onze specifieke expertise kunnen inzetten. Als door een wesp gestoken heeft de regering in haar officiële reactie op deze suggestie gereageerd: ,,Tweezijdig belang staat op gespannen voet met de centrale positie van ownership.'' Het blijkt dat het begrip `belang' strikt economisch wordt geïnterpreteerd en wordt gekoppeld aan de traditionele vorm van technische hulp: alle gelden moeten besteed worden in het hulpgevende land.

Eenieder die het eerdergenoemde WRR-rapport heeft gelezen weet echter dat dit nu juist niet de bedoeling is. Het gaat primair om belangen in de niet-economische sfeer: het bevorderen van verschillende elementen van goed bestuur als doel van Nederlandse ontwikkelingssamenwerking en als basis voor ontwikkeling. Het Noorden heeft een eminent belang bij het ontstaan van een internationale rechtsorde. Nederland kan hier unieke bijdragen leveren, die veel meer effect sorteren dan relatief kleine bijdragen aan de armoedebestrijding in algemene zin die, terecht, een accent krijgt via de Wereldbank.

De betogingen in Genua zijn een reflectie van de botsing tussen de trend van de globalisering enerzijds en die van de individualisering anderzijds. De groeiende tweedeling in de wereld is niet acceptabel. Maar we veranderen te weinig met achter het bureau bedachte grand designs voor oplossingen. De individuele betrokkenheid, die blijkt uit de demonstraties in Genua, moet gekanaliseerd worden in samenwerkingsprojecten, `echte partnerships', met ontwikkelingslanden op de terreinen die door Sachs en vele anderen en door de UNDP zijn genoemd.

De internationale gemeenschap kan beginnen met hiervoor een decor te scheppen door schulden kwijt te schelden en door handelsbarrières op te heffen. Maar bovenal: er is een andere attitude nodig in onze relatie met het Zuiden. Het zijn niet `hun' problemen, het zijn `onze' problemen. Door actief samen te werken kunnen wij ook heel wat leren van onze medeburgers in het Zuiden. Ontwikkelingssamenwerking is meer dan ooit noodzakelijk en het vinden van effectieve vormen van samenwerking is niet een optie voor het Noorden, maar een absolute noodzaak.

J. Bouma is lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en hoogleraar bodemkunde aan Wageningen Universiteit.