Hof doet geen concessies aan culturele verscheidenheid

Het Europese Hof voor de mensenrechten steunde gisteren de ontbinding van de fundamentalistische Welvaartspartij door Turkije. De fundamentele vrijheden zijn niet absoluut.

Pluralisme is een integrerend onderdeel van de democratie. Daarom hebben staten slechts een beperkte beleidsvrijheid bij het verbieden van politieke partijen. Zo waarschuwt het Europese Hof voor de mensenrechten in Straatsburg in zijn gisteren gepubliceerde uitspraak over de ontbinding van de Welvaartspartij door Turkije. Toch acht het hof deze maatregel gerechtvaardigd.

Het constitutionele hof van Turkije had de ontbinding van de moslim-fundamentalistische Welvaartspartij (Refah) vooral gebaseerd op de grond dat het een centrum van activiteiten tegen het Turkse constitutionele principe van secularisme (scheiding van kerk en staat) was. De klacht van Refah in Straatsburg was dat het verbod inbreuk maakt op een hele serie fundamentele vrijheden die zijn vastgelegd in het Europees verdrag voor de rechten van de mens: vrijheid van gedachte en geweten, vrijheid van meningsuiting en van vereniging en vergadering, het discriminatieverbod en het recht op vrije verkiezingen.

Deze vrijheden zijn echter niet absoluut. Het verdrag maakt beperkingen mogelijk mits deze bij de wet voorzien en ,,noodzakelijk in een democratische samenleving'' zijn. Het Europese Hof zegt nu dat de sancties tegen de Welvaartspartij voldoen aan dit vereiste. Turkije kon zich beroepen op ,,een dringende sociale noodzaak tot bescherming van de democratische samenleving''. Onder het voorwendsel dat zij slechts een nieuwe betekenis gaven aan het begrip pluralisme stuurden de leiders van de Refah-partij in werkelijkheid aan op een soort tweedeling in de samenleving, waarbij mensen een speciale behandeling zouden krijgen op grond van hun (islamitische) godsdienst.

De partij heeft zich ook onverbloemd ingezet voor invoering van de islamitische wet, de shari'a. ,,Dit rechtssysteem contrasteert duidelijk met de waarden die zijn belichaamd in het Europees verdrag voor de mensenrechten'', zegt het Europese hof. Deze opmerking heeft een belang dat verder gaat dan de Turkse zaak. Er woedt al geruime tijd een internationale discussie over de universaliteit van de mensenrechten. De praktische vraag is of er concessies moeten worden gedaan aan de culturele, etnische en religieuze verscheidenheid in de wereld. Daar lijkt althans het Europese Hof voor de mensenrechten weinig voor te voelen.

Het Europese Hof heeft in eerdere zaken reeds Berufsverbote wegens politieke activiteiten van ambtenaren gebillijkt. Een partijverbod is andere koek. Toch is er een precedent, dat dateert uit de beginjaren van het Europees Verdrag voor de mensenrechten. In die tijd was er nog een Commissie voor de mensenrechten die een soort voorselectie van klachten moest verrichten. In 1957 verklaarde deze comissie een klacht tegen de ontbinding en het verbod van de Duitse communistische partij KPD niet-ontvankelijk. De ,,dictatuur van het proletariaat'' die deze partij voorstond, werd onverenigbaar geacht met het Europees verdrag.

Ook de Nederlandse Volksunie van Glimmerveen stootte in Straatsburg de neus. Het propageren van rassendiscriminatie valt buiten de vrijheid van meningsuiting. In beide gevallen beriep de commissie zich op een speciale bepaling, artikel 17 van het Europees verdrag. Dit bevat het beginsel ,,geen vrijheid voor de vijanden van de vrijheid''. De gegarandeerde grondrechten mogen niet worden ingeroepen om activiteiten te rechtvaardigen die het doel hebben deze vrijheden teniet te doen of te beperken. Dat geldt overigens net zo goed voor de staten als voor de burgers.

Het moet wel gaan om activiteiten: gedachten blijven vrij. De vijanden van de vrijheid mogen ook niet verder van hun rechten worden beroofd dan strikt noodzakelijk is. En het is niet toegestaan iemand blijvend zijn rechten en vrijheden te ontzeggen omdat hij eens blijk heeft gegeven van een totalitaire overtuiging. De grote vraag is of zo'n algemene uitzonderingsbepaling eigenlijk wel gerechtvaardigd is naast de reeds bestaande mogelijkheden de rechten en vrijheden van het verdrag te beperken.

Het Europese Hof brandt in de Refah-zaak zijn vingers niet aan deze netelige bepaling hoewel daar wel een beroep op was gedaan. Iets klinkt er echter toch wel van door in de uitspraak. Het hof waarschuwt dat partijverboden niet verder mogen gaan dan strikt noodzakelijk. Zo gaat het te ver alle vertegenwoordigers van een ontbonden organisatie uit te sluiten van politieke activiteiten. Maar het gros van de Refah-parlementariërs heeft zijn politieke carrière kunnen voortzetten; alleen de leiders kregen een (tijdelijk) verbod.

Het Hof was overigens verdeeld: drie van de zeven rechters waren het met de uitspraak oneens.