Macedoniërs willen best vechten voor vrede

Er is in het Macedonische conflict weinig reden voor optimisme. Zelfs als de politieke leiders van de twee etnische gemeenschappen het eens worden, zijn vrede en verzoening verder weg dan ooit.

Elke dag opnieuw werpen de internationale bemiddelaars in het Macedonische conflict de wereld een botje optimisme toe. Het gaat goed, een akkoord tussen de Macedoniërs en de Albanezen is voor 95 procent rond, de sfeer op het overleg is echt voortreffelijk en vanavond, misschien morgen komt er een akkoord. Een oorlog? Een oorlog komt er niet, want de meeste Macedoniërs willen geen oorlog en dat geldt ook voor de Albanezen.

Alsof oorlog een democratisch proces is, en alsof de meeste Bosniërs tien jaar geleden wel oorlog wilden.

Het lijkt allemaal erg op whistling in the dark, want elke dag opnieuw, prima atmosfeer of geen prima atmosfeer, blijkt die laatste vijf procent de partijen uit elkaar te houden. De Macedoniërs willen per se het Albanees niet als tweede officiële taal, en de Albanezen willen even per se dat Albanees wèl als tweede officiële taal. De Macedoniërs willen een gecentraliseerde politiemacht om een etnische verdeling van de politie te voorkomen, de Albanezen willen een gedecentraliseerde politiemacht omdat ze baas willen zijn in eigen dorp. Een compromis tussen die lijnrecht tegengestelde standpunten is moeilijk te vinden. De Albanezen zeggen nu echt genoeg eisen te hebben ingeslikt en de Macedoniërs roepen de grenzen van het mogelijke te hebben overschreden.

Maar zelfs àls er een akkoord wordt bereikt, is het moeilijk optimisme te rechtvaardigen. De belangrijkste reden is de grondige verstoring van de etnische relaties in Macedonië. Het geweld, van de kant van het Albanese Nationale Bevrijdingsleger UÇK èn van het Macedonische leger, heeft beide etnische groepen binnen enkele maanden grondig geradicaliseerd.

Voor de Slavische Macedoniërs is de zaak duidelijk: tien jaar lang is het vreedzaam geweest, tien jaar lang was alles dik voor elkaar, tien jaar lang waren er geen problemen, tot de terroristen van het UÇK opdoemden en een probleem creëerden – met terroristisch geweld. Onderhandelen met de Albanezen? Helemaal niet nodig! Andere status van de minderheid? Onzin: het ging toch tien jaar prima? De Albanezen, zeggen de Macedoniërs, willen het land opbreken – een ander motief is niet denkbaar.

De perceptie van de Albanese Macedoniërs is volledig anders: tien jaar lang hebben ze beleefd en vriendelijk gevraagd om verbetering van hun status, hun rechten, hun plaats in de samenleving. Tien jaar lang hebben de Macedoniërs hen van het kastje naar de muur gestuurd en is er niets veranderd. Pas dankzij het UÇK worden hun eisen serieus genomen. Eindelijk.

Beide partijen hebben terroristisch geweld gebruikt en daarmee een muur van wantrouwen en haat opgetrokken. Het UÇK – en dan vooral de door de leiding niet gecontroleerde, ongedisciplineerde eenheden rond Tetovo – heeft burgers vermoord, huizen platgebrand en etnisch gezuiverd. Het Macedonische leger heeft elke UÇK-actie met grof en onbeheerst geweld beantwoord en heeft hele dorpen platgebombardeerd waar een UÇK'er werd vermoed. Hardliners als minister van Binnenlandse Zaken Boškovski hebben de reserve-politie en burgers bewapend en zwepen de Macedoniërs op tegen de Albanezen en de internationale gemeenschap die – door te bemiddelen in een overleg dat de Macedoniërs overbodig achten – geacht worden de kant van `de terroristen' te hebben gekozen.

In de Macedonische media wordt geen enkel onderscheid gemaakt tussen gewone Albanezen en UÇK-terroristen. Die bejegening drijft die gewone Albanezen alleen maar verder richting UÇK – een ontwikkeling die erg doet denken aan die in Kosovo begin 1999, toen Miloševic het Kosovaarse UÇK te lijf ging en het rafelleger binnen enkele weken in omvang vertienvoudigde. De verhoudingen tussen beide bevolkingsgroepen is slechter dan ze ooit in het verleden is geweest en dat zal door een akkoord niet veranderen.

Ze zal eerder verder verslechteren: de politieke leiders die een akkoord ondertekenen, moeten het hun achterban zien te verkopen. Dat zal niet lukken. De Macedoniërs accepteren geen concessies. Elke concessie zal worden gezien als verraad en de uitverkoop van het land aan de Albanezen. Elke leider die zo'n akkoord tekent, tekent zijn politieke doodvonnis – een van de redenen waarom die laatste vijf procent van het akkoord zo'n probleem vormt.

Het UÇK vormt bij dit alles een complicerende factor. Het is de bedoeling dat het na een akkoord de wapens inlevert aan een daartoe te vormen NAVO-legertje. Maar het is duidelijk dat het UÇK – àls het het akkoord onderschrijft – de wapens niet of slechts op symbolische schaal zal neerleggen: het zal spoorloos verdwijnen, mèt de meeste wapens, richting Kosovo, van waar het op elk gewenst moment kan terugkeren. Het UÇK zal dus ook na het bereiken van een akkoord een stoorzender blijven in de Macedonische kwestie, een molensteen om de hals van iedereen die het akkoord moet helpen uitvoeren en een permanente bron van immens wantrouwen bij alle Macedoniërs – een wantrouwen dat de hele Albanese gemeenschap in Macedonië zal betreffen.

Hoe ver aan Macedonische kant de radicalisering is voortgeschreden blijkt wel uit het feit dat het UÇK amnestie is beloofd als het de wapens neerlegt, maar dat dat feit de Macedonische regering er niet van heeft weerhouden gisteren aanklachten wegens moord en genocide in te dienen tegen elf leiders van het UÇK.

Het mag waar zijn dat de meeste Macedoniërs geen oorlog willen – hoewel niemand dat recentelijk heeft gemeten en hoewel het nergens uit blijkt. Het gaat er echter meer om dat het aantal mensen in Macedonië die etnische scheiding willen en daar desnoods een oorlog over hebben, snel toeneemt en dat etnische tolerantie, wederzijds respect en verzoening niet meer voorkomen in de woordenboeken die in Macedonië worden gebruikt.