Ja koffie, cool!

Een collega trok deze week zijn wenkbrauwen op toen ik het woord dreinen liet vallen. ,,Dreinen?''

Dat woord blijkt in onbruik te zijn geraakt. Binnenkort zullen we het niet meer kunnen gebruiken. Wat hoor je vaders en moeders in supermarkten tegen hun dreinende kinderen zeggen? Ze grijpen naar het eigentijdse jengelen: ,,Loop niet zo te jengelen, Priscillaatje!''

`Jengelen' komt dicht in de buurt van `dreinen' maar het mist de ei-klank die het woord dreinen extra geschikt maakt om uit te drukken wat bedoeld wordt. De ei-klank, die ook in chagrijnig zit en in zeikerig. Die dreinende ei.

Woorden zijn maar woorden, daar heeft niemand medelijden mee. Planten en dieren die met uitsterven worden bedreigd, kunnen rekenen op de sympathie van overheid en actiegroepen. Zij worden gekoesterd. Woorden niet.

Woorden blijven nog het langst voortleven bij emigranten die hun moedertaal hebben meegenomen naar een ver oord. In Frankrijk kwam ik eens een vrouw tegen die het Nederlands sprak van vóór de Tweede Wereldoorlog. Zij had het over `de Ommelanden'. In Nederland is dat woord allang ter ziele maar bij haar was het nog springlevend.

Bij ons zijn intussen nieuwe woorden geboren, woorden waarvan zij het bestaan niet kent. Een fris, nieuw woord is bijvoorbeeld cool. Cool betekent goed, mooi, fijn, lekker. Ik hoorde het laatst uit de mond van een jongen van een jaar of tien. Die neemt het misschien zijn hele leven met zich mee. Over tachtig jaar zit hij in het bejaardentehuis. Op luide toon wordt hem gevraagd: ,,Kopje koffie, opa?''

Met bibberende stem zal hij antwoorden: ,,Ja, koffie. Cool!''

Het koffiemeisje zal meewarig haar hoofd schudden en erom giechelen. Want `cool' is dan al jaren `uit' en mensen die het nog gebruiken zijn sukkels.

Ik vond mijn vader een sukkel toen ik een kind was en hem het woord lei hoorde gebruiken in plaats van lag: ,,De sleutel lei op het kastje.''

Ik herinner me het lamlendige gevoel dat op dat moment over me heen kwam. Hij werd op slag een oude man, eentje die we niet meer serieus hoefden te nemen. Hij kwam uit een afgesloten tijdperk waar de dingen niet meer van hun plaats kwamen en alles onder een dikke laag stof zat.

Nu overkomt mij hetzelfde. Ik zit met mijn zoon aan tafel en vertel dat ik iets niet dorst te doen.

,,Dorst'', herhaalt hij schamper lachend. En nog een keer: ,,Dorst! Je bedoelt durfde.''

Ik zeg: ,,Ik weet wel dat durfde de verleden tijd van durven is. Maar dorst kan ook. Dat is heel goed Nederlands.''

Met een luchtig `jaja' laat hij mij nog verder de blubber in zakken. Ik ben er zo een die het woord `dorst' nog gebruikt. Ik ben een schlemiel, die de bus naar het heden gemist heeft. Ik tel niet meer mee.

Die constatering doet pijn. Tot nu toe had ik geen last van ouder worden. Kaalheid, buikje, leesbril... daar kan ik allemaal wel tegen. Maar dat er nu ook rimpels komen in mijn taalgebruik, dat is even slikken.