Hier heeft gewoond

Eigenlijk heette hij Gerhard Spitzen, maar later, toen hij begon te schrijven, verschool hij zich achter het pseudoniem Geert Teis Pzn. De achternaam, inclusief het toevoegsel, is een anagram, een andere rangschikking van de bestaande letters, en zo veranderde Spitzen in Teis Pzn. Onder die naam kreeg hij bekendheid na circa 1890. Hij woonde toen allang niet meer in Stadskanaal, zijn geboorteplaats, maar in het Zuid-Hollandse Voorburg. Daar ontplooide hij zich als ijverig propagandist van het Groningse dialect, wat hij tot zijn dood op tachtigjarige leeftijd is gebleven.

Geert Teis Pzn. kon bogen op een uitgebreid oeuvre in de volkstaal en was bovendien een toegewijd leraar, die een opmerkelijke drang tot verhuizen aan de dag legde. Zijn levensloop voltrok zich via een reeks Nederlandse gemeenten, achtereenvolgens Stadskanaal, Den Bosch, Winschoten, Oudewater, Voorburg, Den Briel (waar hij trouwde met Jantine Brouwer), Wageningen, Den Haag, Soestdijk en ten slotte Ruurlo. Het hoogtepunt van zijn literaire carrière viel in Den Haag, de stad die hem het langst wist vast te houden. Hij trad er ook in andere hoedanigheden op, als radiospreker, redenaar en redacteur van het maandblad Groningen. In 1925 werd hij benoemd tot lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkundigen, een onderscheiding die nog geen andere dialectdichter ten deel was gevallen.

In Stadskanaal, waar Spitzen alias Teis, van 1864 tot 1878 woonde, is een cultureel centrum naar hem genoemd. Zijn geboortehuis met de gedenksteen staat aan het kanaal. Ooit dreef vader Spitzen hier een winkel in potten en pannen; daarnaast was hij gemeenteraadslid en vervener, waardoor hij tot de notabelen van het dorp werd gerekend.

Het moet een tamelijk opgewekt huishouden zijn geweest. ,,Er werd gezongen en piano gespeeld'', aldus een biografische tekst. ,,Moeder maakte gedichten voor de familiekring en vader kon mooi vertellen van vroeger.''

De jonge Spitzen groeide op met uitzicht over het kanaal ('t knaol), dat hem zeer dierbaar is geworden. Vanaf de hoge stoep zag hij ze voorbijtrekken: ,,De tjalken met turf, de scheepsjagers die al of niet vloekend, al of niet dronken hun paarden over het jaagpad joegen en de boeren die met hun karren de weg afratelden.'' Hij zou er later nog vaak aan denken.

R.J. Nijhoff en W.M. Renes `Van omkieken naor veuruutkieken', 1964.