Hellevoets droogdok viert nieuwe triomfen

Terwijl de restauratie van het twee eeuwen oude droogdok Jan Blanken in Hellevoetsluis nog in volle gang is, wordt er voor het eerst in dertig jaar weer een schip opgeknapt.

Bijna dertig jaar nadat het laatste schip vertrok, van wat destijds nog een scheepswerf was, ligt er weer een schip in het droogdok Jan Blanken in Hellevoetsluis. In het twee eeuwen oude dok wordt een voormalige mijnenveger opgeknapt, `De Paradijsvogel', eigendom van een tiental gepensioneerde marinemannen. Voor een zacht prijsje wordt het in 1954 gebouwde en destijds `Spa' gedoopte schip `geknipt en geschoren', wat staat voor groot onderhoud aan de onderkant van het schip. ,,Zo verdienen we iets voor de restauratie van het dok, een project van zeven à acht miljoen gulden'', zegt Cees Voorham, tijdelijk directeur van de stichting Droogdok Jan Blanken, die sinds 1995 werkt aan de restauratie van het droogdok, een cultuur-historisch monument uit het maritieme verleden van Hellevoetsluis.

Het stadje aan het Haringvliet was van 1604 tot de sluiting in 1933 een belangrijke basis van de vaderlandse marine. Het droogdok, gelegen aan het eind van de haven die nu het domein is van tientallen jachten en zeilboten, is met de vesting die de haven omringt, het belangrijkste monument van vierhonderd jaar geschiedenis.

Staatssecretaris Van der Ploeg (Cultuur) kende de stichting Droogdok dit voorjaar 3,8 miljoen gulden toe uit de 200 miljoen grote `kanjerpot' voor cultureel belangrijke restauraties. ,,Met dat geld kunnen we tot eind december 2003 voort. Dan is de restauratie voor circa zeventig procent voltooid. Nog twee miljoen erbij en dan kunnen we in 2004 gereed zijn'', zegt Cees Voorham, die als ex-eigenaar van een Haags bouwbedrijf leiding geeft aan het project. Ongeveer de helft van de totale kosten wordt betaald door de gemeente Hellevoetsluis. Het bedrijfsleven heeft 1,5 miljoen geïnvesteerd in een soort replica van het naast het dok gelegen pompgebouw, dat in 1972 werd afgebroken. Het nieuwe gebouw, met even fraai rond metselwerk als het oude, krijgt een horecabestemming.

De waterstaatkundige Jan Blanken, die veel later ook het Noordhollands Kanaal zou aanleggen, ontwierp het Hellevoetse droogdok naar het voorbeeld van Franse dokken, onder meer Recouvrance bij de Bretonse marinehaven Brest. De Franse constructeurs profiteerden van het grote verschil tussen eb en vloed aan de Atlantische kusten: bij hoge waterstand voer het schip het dok in, en bij eb kon het water uit het dok worden gelaten. Het schip, rechtop gezet met behulp van palen, kon vervolgens worden gerepareerd. Blanken had het veel moeilijker in Hellevoetsluis. Hij kon geen gebruik maken van de geringe getijverschillen en moest bovendien bouwen op een slappe bodem.

De constructie van het zogenoemde kieldok begon in 1798 met het maken van een fundering waarvoor drieduizend houten palen van twaalf meter lang werden gebruikt die als een soort ankers fungeren om de 1.40 meter dikke fundering op z'n plaats te houden. Voor het droogpompen van het dok bood een nieuwe uitvinding soelaas: een stoommachine die de pompen zou aandrijven. Het apparaat, gemaakt bij Boulton & Watt in Birmingham, werd in delen naar Hellevoetsluis gesmokkeld – de Bataafse Republiek was ingelijfd bij het Franse rijk van Napoleon die alle handel met de Engelse vijand verbood. In 1802 werd voor het eerst en met succes proefgedraaid.

Daarna werd het eigenlijke dok gebouwd, waarbij ruim vier miljoen bakstenen werden gebruikt. Niet alleen voor het dok, maar ook voor de aanleg van een ingenieus stelsel van nauwe gangen met een lengte van 320 meter rond het dok. Deze `catacomben', nu benut voor een gelikte audio-visuele presentatie, dienden als waterreservoir om branden te blussen die door het werk met pek en vuur aan schepen gemakkelijk konden uitbreken. Pas in 1806 zou het eerste oorlogsschip, het Franse fregat `Euridice', in het dok worden behandeld.

Achter Blankens kieldok, dat met zijn oplopende trappen aan een amfitheater doet denken, bevindt zich nog een tweede dok, het zogenoemde timmerdok, dat ook door Blanken werd ontworpen, maar dat pas veel later, in 1824, gereed kwam en dat ook maar zelden is gebruikt. Beide dokken worden afgesloten met een schipdeur, een drijvende deur die qua vorm aan een schip doet denken. De holle constructie kan met water worden gevuld en dan zinkt het gevaarte in de sleuven die in de toegang van het dok zijn aangebracht. In 1885 werd de houten schipdeur vervangen door een ijzeren, die na een kostbare restauratie nog steeds functioneert. Blanken bouwde een tweede droogdok in Den Helder, dat er ook nog is, maar constructiefouten kende.

In de jaren zeventig bestonden in Hellevoetsluis, destijds nog maar net aangewezen als groeigemeente, plannen om beide dokken maar vol te gooien met zand, en langs de randen villa's te bouwen. Villa's komen er wel, maar verderop tegenover de havenkade waar ooit zeehelden als De Ruyter en Tromp hebben gelopen. Aansluitend op het dok dat nu jaarlijks twaalfduizend bezoekers trekt, en het nieuwe pomphuis komen twee musea aan een vernieuwde kade die meer maritieme glorie zal bieden dan de jachthaven die er nu gelegen is en die dan ook wordt verplaatst. En er komt een diepere vaargeul zodat de twee dokken, ruim 150 meter lang, ook voor grotere schepen gemakkelijker te gebruiken zijn. En vanaf half september is het droogdok podium voor een toneelstuk, `De vrijheid, de woede en het water', van de Hellevoetse schrijver Frank Herzen, uiteraard over Jan Blanken.