De automobilist is een complex wezen en parkeren is zelden leuk

Voor Amsterdammers is de file op het Rokin en het Damrak naar de Bijenkorfgarage inmiddels een vertrouwd beeld. Dagjesmensen en funshoppers staan, gewapend met thermoskannen en pakken broodjes, een uur of nog langer te wachten om de garage in het hart van Amsterdam in te mogen. Ze weigeren hardnekkig om naar parkeergarages buiten het centrum te gaan, hoewel daar plaats genoeg is. In het transferium, een parkeergarage onder het nieuwe stadion ArenA in Amsterdam Zuidoost, zijn bijvoorbeeld zelfs inmiddels 1500 van de 2500 parkeerplaatsen opgeheven wegens een jaarlijks verlies van 1,7 miljoen gulden per jaar op de exploitatie, zo valt te lezen op de expositie Auto op stal. Parkeren in Amsterdam in het Architectuurcentrum Amsterdam.

Toch valt uit dit gedrag niet op te maken dat de eerste wet van het parkeren luidt dat de automobilist zijn wagen altijd voor de deur van zijn bestemming wil zetten. Want, zo blijkt ook op Auto op stal, in de nieuwe Amsterdamse wijk Borneo Sporenburg gebruiken veel bewoners de carports van hun huizen als tuin of speelplaats. Ze parkeren hun auto elders op het schiereiland.

De leegstaande Amsterdamse parkeergarages en het gebruik van carport als tuin laten zien dat het Amsterdamse parkeerprobleem relatief is. Maar wie denkt dat dit het parkeerprobleem gemakkelijk oplosbaar maakt en dat automobilisten kunnen worden gedwongen het transferium te gebruiken door parkeren in het stadscentrum bijvoorbeeld heel duur of zelfs onmogelijk te maken, heeft het waarschijnlijk mis. De automobilist is een complex wezen en vermoedelijk is zijn afkeer van het openbaar vervoer zo groot, dat hij wegblijft als hij zijn auto niet meer kwijt kan in het centrum. Wil Amsterdam publiek trekken, dan moeten er voldoende parkeerplaatsen zijn.

De tentoonstelling Auto op stal laat aan de hand van foto's en fotokopieën die in kisten zijn gelegd, oplossingen hiervoor uit het verleden en heden zien. Tot voor kort werden parkeergarages meestal beschouwd als puur functionele bouwwerken. Een parkeergarage als de Europarking aan de Amsterdamse Marnixstraat van Zanstra, Gmelig Meyling en De Clerq uit 1971 is een uitzondering, met zijn twee mooie spiraalvormige hellingbanen die aan Frank Lloyd Wrights Guggenheim Museum in New York doen denken. Bij de meeste oudere parkeergarages zijn de hoogte van de verdiepingen, de verlichting, de trappen en de aankleding teruggebracht tot het minimaal noodzakelijke. Parkeergarages zijn dan ook bijna altijd lugubere, duistere oorden die niet voor niets in veel films dienst doen als decors voor moorden en achtervolgingen.

Maar bij recente parkeergarages hebben architecten hun best gedaan om er iets meer van te maken. Auto op stal laat er een paar voorbeelden van binnen en buiten Amsterdam van zien. Zoals de Tivoli-garage van Benthem en Crouwel in Tilburg, waar elke etage daglicht krijgt en gebruikers op de begane grond kunnen lopen zonder het gevaar te lopen door auto's omver te worden gereden. En de parkeergarage in Amsterdam-Noord van B&D Architecten heeft mooie glazen gevels met prints van bomen gekregen.

Auto op stal biedt ook een blik op de parkeertoekomst in Amsterdam. De stad moet autoluw worden en het `blik' moet uit het zicht – dit is, kort gezegd, het autobeleid van de gemeente Amsterdam. En dus zijn er in ARCAM allerlei plannen te zien voor parkeergarages onder de grond en onder het overvloedige water van Amsterdam. Zelfs aan utopische plannen besteedt de expositie aandacht. Sommige hiervan zijn sympathiek, zoals Autopia van de Duitser Schlingmann waar het centrum van de woning letterlijk wordt gevormd door de auto die daar ook als verblijfsruimte dient.

Maar van andere voorstellen valt te hopen dat ze altijd utopieën blijven. Dit geldt bijvoorbeeld voor Parkhouse/Carstadt, een ontwerp voor een reusachtig gebouw bij de Nieuwe Kerk waarmee NL Architects een paar jaar geleden in beperkte kring opzien baarde en lof oogstte. NL Architects stellen voor om een groot deel van de omgeving van de Nieuwe Kerk te vervangen door een één kilometer lange en negentien meter brede hellingbaan die tot dertig meter omhoog gaat. Parkeren kan men op de hellingbaan, eronder is ruimte voor winkels, kantoren en woningen.

Deze ,,katalysator van het stedelijk leven'', zoals het heet in ronkende architectentaal, moet voorkomen dat ,,Amsterdam tot museaal pretpark'' wordt gereduceerd. Ongetwijfeld is de uitvoering van dit megalomane ontwerp een probaat middel tegen de disneyficering van Amsterdam om de doodeenvoudige reden dat dit de doodssteek van een groot deel van het oude centrum zou betekenen. Het ontwerp is niets anders dan een opgetilde en kronkelende variant op de Wibautstraat-Weesperstraat, de snelweg dwars door het oude Amsterdam die in de jaren vijftig en zestig de definitieve vernietiging van het oostelijk deel van de oude stad was maar die godszijdank door protesten en rellen bij de Sint Anthoniestraat in de jaren zeventig een halt is toegeroepen.

Tentoonstelling: Auto op stal. Parkeren in Amsterdam. T/m 25 augustus in ARCAM galerie, Waterlooplein 213, Amsterdam. Geopend: di t/m za 13-17 u.