Baraks terugblik

EHUD BARAK, van 1999 tot 2001 premier van Israël, geeft het toe: mensenkennis is niet zijn sterkste kant. In een artikel in de New York Times noemt hij Arafat een ongrijpbare tegenspeler, een man die vergat zijn volk voor te bereiden op vrede, die blind is voor de terreur van Hamas en Islamitische Jihad, kortom een Palestijn met wie geen zaken te doen zijn. Barak adviseert zijn opvolger Sharon dan ook zich, in afwachting van een nieuw Palestijns leiderschap, los te maken van de Palestijnen en een grens te trekken waarbinnen voor de komende generaties een joodse meerderheid veilig is. Barak werd gekozen omdat hij geloofde in vrede met Arafat. Dit jaar trok hij zich terug nadat een jaar geleden in Camp David vredesoverleg met president Clinton als bemiddelaar was mislukt.

Kortom, een ernstig teleurgesteld mens, Barak. Of dat zijn historisch oordeel beïnvloedt, lijkt een gerechtvaardigde vraag. Vooral omdat Baraks terugblik nogal afwijkt van observaties van andere deelnemers aan het overleg. Zo somde onlangs Robert Malley, Clintons adviseur voor Arabisch-Israëlische zaken, eveneens in de Times, drie mythes op die rondom het doodlopende einde van het befaamde vredesproces worden geweven. Volgens Malley had Israël bij het begin van het overleg in Camp David een aantal belangrijke voorwaarden met betrekking tot troepenterugtrekkingen van de Westelijke Jordaanoever niet vervuld, waren Baraks concessies minder ruimhartig dan achteraf wordt gesuggereerd en heeft Arafat van zijn kant wel degelijk concessies gedaan. In een apart artikel beschrijft de Times hoe na Camp David nog tal van onderhandelingssessies hebben plaatsgehad waarin partijen elkaar dicht waren genaderd.

ZONDER NAMEN te noemen neemt Barak nu deze terugblikken op de korrel. Hij getuigt van zijn eigen goede wil ,,een onafhankelijke, levensvatbare Palestijnse nabuurstaat'' te aanvaarden, maar hij constateert dat Arafat niet over de verbeeldingskracht en de moed beschikt van Sadat en Hussein (respectievelijk president van Egypte en koning van Jordanië). ,,Er waren weinig aanwijzingen dat Arafat te goeder trouw onderhandelde'', beweert Barak over de man met wie hij voor de televisiecamera's in Camp David een jolig soort kameraadschap acteerde. Barak meent dat Arafat er vooral op uit was internationale betrokkenheid te bevorderen, desnoods door gebruik van geweld. Een verwijzing naar Europees ijveren een rol te spelen.

Natuurlijk was Barak zelf ook uit op het stimuleren van bemoeienis van buitenaf, die van de Amerikanen. Hij behandelde, schrijft de Times, het plan van Sharon om de islamitische heilige plaats op de Tempelberg te bezoeken als een interne Israëlische gelegenheid, hoewel Arafat hem na afloop van een gezamenlijk diner bij Barak thuis had gesmeekt dit te verhinderen. Barak noemt dit incident niet - dat de stoot gaf tot de tweede intifada. Wel neemt hij de beschuldiging over dat Arafat het Palestijnse geweld aanmoedigt.

Baraks terugblik sterkt de politiek van Sharon, ten koste van zijn eigen positie in de Israëlische geschiedschrijving. Maar zijn terugblik vertelt niet het hele verhaal.