Almacht

`De Das', was zijn koosnaam. Ik heb nooit de moeite genomen om te onthouden waarom dit zijn koosnaam was. Koosnamen waren niet besteed aan hen die met hem in het peloton reden. Hinault was Hinault, en Hinault was Hinault voor intimi: een varkensachtige Bretonse booswicht.

In 1981 won Hinault zijn derde Tour de France. Ik eindigde als vijfde, op dik twintig minuten van het varken. Wat op zich niet slecht was voor een debuut in de Tour.

Het debuut leverde me nog de maillot blanc op, ik werd officieel gekenschetst als een belofte voor de toekomst.

Maar ik had mijn zorgen.

Had ik niet urenlang tegen dat vierkante achterwerk van deze Hinault aan zitten kijken terwijl hij op de cols stoïcijns tempo ontwikkelde in naam van zijn eigenste gele trui? Had ik die geblokte, gele soldatenrug niet voor me gezien als een veilige geurvlag? Hinault, dat was toch een baken in de koers die jezelf, in de uitputting, toch niet op gang kon brengen?

Er waren momenten in die Tour van '81 dat ik het diepe verlangen voelde om in de huid van Hinault te kruipen; om eventjes, al was het maar voor vijf seconden, te ervaren wat fysieke almacht was.

Een oud verlangen was dat.

Ik meen dat ik twaalf was. Merckx hees zich naar boven op de gloeiende Mont Ventoux. De concurrentie spartelde diep beneden hem. Merckx passeerde de plek waar Tommie Simpson zich een paar jaar eerder letterlijk had dood gefietst. Hij nam uit eerbied voor Simpson zijn pet af en zette die daarna in een uiterste krachtsinspanning weer op.

Een twaalfjarige zag het gebeuren op tv en hij verlangde er op dat moment naar om die Merckx met de pet te zijn, en alles wat daarbij hoorde aan afzien en grootse emotie.

Ik heb ook wel eens voor vijf seconden Indurain willen zijn.

De jonge Indurain was een raar geval. Vaak bevond ik me met hem in hetzelfde peloton.

Hij huisde meestal achterin. De koers leek hem niks te interesseren. De jonge Indurain was een druktemaker in de staart van de groep. Een te groot lichaam in het verkeerde beroep, vond ik.

Toen begon zijn zwijgen. Ik had het peloton inmiddels de rug toegekeerd. Die rare Indurain ontpopte zich als een tijdritmachine. Hij verstopte zijn ogen achter donkere glazen, zette een helm met een scherpe kam, en ging in stijl voor Tourwinst. In de onaantastbaar kalme huid van de oude Indurain had ik wel eens willen kruipen: hoe voelt het om machine te worden.

En nu hebben we Armstrong, de ultieme machine.

Hoe zou dat voelen?