Kelten en/of Germanen

Troffen de Romeinen in onze contreien nu Kelten of Germanen aan? Aan de discussie daarover levert keltoloog Lauran Toorians met zijn boek `Keltisch en Germaans in de Nederlanden' een belangrijke bijdrage.

In de laatste drie eeuwen voor Christus vormden de Lage Landen een cultureel breukvlak: uit het zuiden rukten de Kelten op, uit het noordoosten de Germanen en in de eerste eeuw kwamen de Romeinen. Traditioneel worden bevolkingsgroepen als Cannanefaten, Friezen en Tubanten al sinds Caesar en Tacitus als Germanen beschouwd. Het verhaal van de Batavieren, Germaanse stammen die in de eerste eeuw v.Chr. op vlotten de Rijn kwamen afzakken en zich in het huidige Nederland vestigden, is overbekend.

Tegenover deze zogenaamde Bataafse mythe in het noorden plaatst Toorians de Belgische mythe in het zuiden. Net zo traditioneel beschouwden de Belgen zich als nakomelingen van de Belgae, de dapperste van alle Galliërs volgens Caesar. Kelten dus. Maar waar die Belgae woonden is niet precies bekend. Misschien vooral ten zuiden van het huidige België.

De Kelten bewoonden een enorm gebied, van Ierland tot de Zwarte Zee, en ze ontwikkelden een superieure cultuur. In de vroege IJzertijd (ca 750 tot 450 v. Chr., de `Hallstatt-cultuur') bezaten de Keltische heersers grote door handel en nijverheid verworven rijkdom. Op ruisende feesten in vorstelijke burchten ontvingen bezoekers en volgelingen prachtige geschenken, bezongen barden de heldendaden van koningen en krijgers, en raakten de gemoederen al gauw oververhit door de ontembare Keltische drift en drankzucht.

Rond de vijfde eeuw v.Chr., het begin van de `La Tène-cultuur', verbrokkelden de oude maatschappelijke structuren. Massa's Kelten trokken naar Italië, Anatolië, Zuid-Engeland, plunderden Delphi (279 v.Chr.) en zelfs Rome (390 v.Chr.). Omstreeks de tweede eeuw v.Chr. lijken ze terug te keren tot een volgens de Romeinen `beschaafdere' leefwijze, in plaatsen waar woonwijken, handel en nijverheid geconcentreerd zijn. Heuvelforten, die gebruikt werden voor bijeenkomsten, als opslagplaats voor handelsgoederen en in noodgevallen als woonplaats, waren er al in vroeger tijden. Na de periode van verval verschenen die heuvelforten in het zuiden van de Lage Landen. Zo'n dertig liggen er in nog Wallonië, een enkel staat ook in Drenthe en Groningen.

Ook verdere archeologische vondsten getuigen van de grote uitstraling van deze cultuur. Lokale aanvoerders liggen in `vorstengraven' onder grote grafheuvels met kostbare grafgiften. Ze kregen hun wagens mee, gouden of bronzen sieraden, ingelegd met koraal, email en glas, maar ook ijzeren wapens en bronzen vaatwerk uit het Alpengebied. Mogelijk gaat het hier om geschenken van een veel machtiger en rijker heerser uit een zuidelijker Keltisch kerngebied (Oost-Frankrijk, Zuid-Duitsland, het Alpengebied) aan plaatselijke stamhoofden.

Er zijn geen archeologische bewijzen gevonden dat de Kelten hun territorium door gewapende invasie uitbreidden. Onderzoekers nemen aan, dat de bewoners bleven en de nieuwe Keltische mode en cultuur overnamen, zoals ze later deden met de Romeinse cultuur, of zoals wij tegenwoordig doen met de Amerikaanse. Praktisch nut van geavanceerder gereedschap speelt zeker een rol, maar met de mode meedoen is tevens een prestigekwestie.

De Germanen duiken veel later dan de Kelten op in geschreven bronnen die ook schaarse en onbetrouwbare inlichtingen verstrekken. Caesar (De Bello Gallico) situeert Kelten ten westen en Germanen ten oosten van de Rijn. Sommige taalkundigen zijn van de precisie van zijn gegevens overtuigd daar hij zijn plaatselijke tegenstaanders kende. Anderen schrijven het scherpe onderscheid in zijn boekwerk tussen beiden eerder aan politieke doelen toe: hij had álle Galli overwonnen.

Toorians stelt dat Galliërs degenen waren die Keltisch (Gallisch) spraken, terwijl Germaans spraken. Een duidelijke grens tussen Germaanse en Keltische gebieden valt niet te trekken. Voor archeologen is het verschil tussen beide culturen vooral gradueel. Toch, hoe meer men zich naar het noorden over de Rijn van de kerngebieden van de La-Tènecultuur verwijdert, hoe schaarser bijvoorbeeld Keltische munten en glazen armbanden bij archeologische vondsten zijn. En vaker duiken dan voorwerpen op die de invloed verraden van de als Germaans beschouwde Jastorf-cultuur.

De huidige communis opinio luidt dat in het huidige Nederland ten noorden van de grote rivieren geen Keltische plaatsnamen zijn en ten zuiden ervan misschien zo'n vijf. Recent taalkundig onderzoek veronderstelt dat de Kelten misschien noordelijker zaten, maar onzeker is waar precies. Toorians schrijft dat overgeleverde geografische en personennamen niet altijd ondubbelzinnig Romeins, Keltisch of Germaans zijn. Bijvoorbeeld Heerlen. De oudste vorm is het Kelto-Latijnse Coriovallum, van het Keltische corio-, `leger(troep)' en Latinse vallum, `verdedigingswal'. Maar de moderne naam ontstaat uit het (gereconstrueerde) Germaanse Hariavallo, dat vermoedelijk in de Romeinse tijd naast de Keltische vorm bestond (voor haria, vergelijk het Duitse `Heer', leger, en het Nederlandse heerschaar, heerweg). (Korte) inscripties bieden ook weinig uitsluitsel, doordat een woord soms Keltisch én Germanisch kan zijn. Of geen van beide, en ook niet Latijns, zoals de boomnaam `hazel(aar)'. Dat komt uit een oudere taal waarvan niets verder is overgeleverd. Misschien een niet-Germaanse en niet-Keltische, maar toch Indo-europese taal (de Noordwestblok-hypothese uit de jaren '60), of, volgens de substraat-theorie, een nog oudere, niet-Indo-europese taal, zoiets als Baskisch, zwaar ondergesneeuwd, maar nog net registreerbaar.

Op basis van de locaties van `vorstengraven' en heuvelforten en de taalkundige analyse van een groot aantal voorbeelden van overgeleverde geografische en personennamen, die in zijn visie meestal tot het Keltisch kunnen worden herleid, stelt Toorians dat het gehele gebied van de Lage Landen tot aan de Noordzee gedurende de IJzertijd was gekeltiseerd en als gevolg daarvan ook Keltisch-sprekend. De germanisering van Nederland situeert Toorians in 100-150 v.Chr., van Noord-Nederland misschien een eeuw eerder. In de kustgebieden (Noord- en Zuid-Holland, Zeeland, Vlaanderen) kon het Keltisch zich misschien tot in de zevende eeuw handhaven.

De numerieke kracht van Toorians voorbeelden is indrukwekkend. Als het gaat om de interdisciplinaire discussie, waarin onder andere (historische) taalkunde, keltologie, germanistiek, archeologie en indo-europeïstiek aan bod komen, krijgt de lezer de beginselen voorgeschoteld. Dat onderbreekt het betoog en doet het werk op twee gedachten hinken, waardoor het te elementair is voor vaklui, maar toch te specialistisch voor de geïnteresseerde leek.

Het is een wat eenzijdig boek, door de neiging van de auteur naar het Keltisch `toe te trekken', zoals vroeger de germanistische wetenschap in Nederland overal Germanen zag. Toorins gaat ook niet werkelijk in op de actuele kwestie van een (of meer) derde (wel of niet Indo-europese) taal, respectievelijk bevolkingsgroep(-en) in de Lage Landen. Sommige onderzoekers denken bijvoorbeeld dat de Friezen een niet-Indo-europees volk zijn, dat pas in de derde eeuw na Chr. Germaans ging spreken. Daar in geschreven bronnen geen spoor van de oerbewoners van de Lage Landen te vinden is, proberen taalkundigen met behulp van woordvergelijkingen en reconstructies te achterhalen welke sporen die oudere talen als substraat in de moderne talen hebben achtergelaten. Toorians stelt de kwestie aan de orde, maar doet daarover geen duidelijke uitspraak. En of de Batavieren nu Kelten of Germanen waren, pardon, of ze nu Keltisch of Germaans hebben gesproken, blijft bij gebrek aan overtuigende argumenten nog steeds duister.

Lauran Toorians: Keltisch en Germaans in de Nederlanden. Taal in Nederland en België gedurende de Late IJzertijd en de Romeinse periode (Mémoires de la Société Belge d'études celtiques 13). Brussel 2000. ISBN 2-87285-075-9.