Verbod op beleggen door scholen smaakt naar meer

Minister Hermans heeft beleggen van scholen aan banden gelegd. Maar er zijn nog veel meer uitgaven van scholen die om een centrale correctie vragen omdat daarbij overheidsgeld wordt onttrokken aan waar het voor bedoeld is, namelijk onderwijs, meent Ton van Haperen.

Sinds gisteren mogen instellingen voor onderwijs en onderzoek de rijksbijdrage niet meer beleggen in aandelen. Tot 31 december 2002 hebben zij de tijd om de bestaande beleggingen aan te passen aan de regeling. Dit betekent dat schoolbesturen met een grotere financiële in- dan uitstroom hun restjes voortaan weer op een spaarrekening dienen te zetten. Anderhalf jaar geleden ontdekten journalisten van de Evangelische Omroep de trend van beleggende scholen. Er was zelfs een bestuur dat 90 miljoen aan beleggingen had uitstaan, waarvan 70 miljoen aan obligaties en 20 miljoen aan aandelen. Kamerleden reageerden geschokt en eisten een onderzoek. De uitkomst hiervan en de recente beursgeschiedenis, die leert dat koersen ook omlaag kunnen, hebben de minister kennelijk aangezet tot dit verbod.

Dit besluit van minister Hermans is bijzonder. Nog maar kort geleden kwam hij met werkgevers en bonden overeen dat de overheid voortaan afstand zal houden. En dan nu weer een regel die de bewegingsvrijheid van instellingen beperkt. Wel verstandig overigens, deze beleidsommekeer.

In het geval van het beleggen is de zaak zonneklaar, scholen horen zich daar niet mee bezig te houden. Een bestuur dat kiest voor het laagste risico en van de rijksbijdrage staatsobligaties aanschaft, creëert een bizarre situatie. De staat leent haar eigen geld en betaalt daar ook nog eens rente voor. Transacties in aandelen en opties zijn wegens het gevaar van grote verliezen helemaal uit den boze.

In de aankondiging van het boek Centen en sentiment, uitgegeven door Het Financieele Dagblad, staat geschreven: ,,beleggers zijn ook maar mensen en hun gedrag wordt ingegeven door menselijke emoties zoals angst, hebzucht, overmoed en kuddegedrag''. Hoewel menigeen een dergelijke context spannend zal vinden, hebben onderwijsbestuurders daar niks te zoeken. Zij waken over het grondrecht onderwijs en hebben voorlopig hun handen vol aan maatschappelijk relevante problemen, enkel oplosbaar door verstandig handelen.

Onder invloed van bewegingen in de tijdgeest gebeurt dit niet altijd en vinden er juist steeds meer dubieuze financiële transacties plaats. Vooral als het gaat om in omvang toenemende verschijnselen als consultancy en interim-management is de scheidslijn tussen flessentrekkerij en probleemoplossing flinterdun.

Het Onderwijsblad berichtte een paar maanden geleden over een opleiding voor interim-managers. Het verhaal bevatte een aantal cases, waaronder die van een op sterven na dode havo/vwo-afdeling. De zittende directie kon het niet aan en een interim-manager blies de school nieuw leven in. Helaas was dit slechts de halve waarheid. Een paar weken later bleek uit een ingezonden brief dat de rector en de secretaris van het bestuur het geval herkend hadden als hun oude school. Volgens de brievenschrijvers heeft het bureau van de geïnterviewde interim-manager het bestuur twee ton gekost, voegden de aangereikte ideeën niks toe en uiteraard bleef de school onder de opheffingsnorm.

Van centrale regels voor dit soort relatief grote uitgaven wil de minister af, omdat ze de autonomie van de instellingen aantasten. En juist dat maakt zijn verbod op beleggen selectief. Want waarom mag een school niet twee ton vergokken aan bijvoorbeeld het uiterst risicovolle aandeel UPC? Het kan misgaan, want het bedrijf heeft een megaschuld en is vaak negatief in het nieuws. Wel is daardoor de koers lekker laag. Bovendien heeft breedband-internet de toekomst, kijkt iedereen televisie en zit het met het klantenbestand dus wel goed. De kans dat het aandeel een stevige opleving meemaakt is groter dan het succes van de hierboven beschreven interim-manager.

Dat Hermans speculeren met aandelen verbiedt is terecht, maar hij lijkt niet te zien dat speculeren met organisatie en arbeidsverhoudingen eenzelfde risico met zich meebrengt. Een lekker draaiende school kan door verkeerde beslissingen aan de rand van de afgrond terechtkomen, met opheffing, fusie en/of reorganisatie tot gevolg. Natuurlijk, iedereen komt bij de huidige krapte op de arbeidsmarkt weer aan het werk, maar de ervaring leert dat leraren honkvast en oud zijn, met een gemiddelde leeftijd van 47 jaar. Juist nu lijkt het raadzaam zuinig op hen te zijn. Binnen scholen woekeren NS-achtige toestanden, de kloof tussen management en lesgevend personeel groeit. Dit werkt ontwrichtend. Centrale bescherming van de leraar is dan de enige oplossing.

Alles wat scheef is vanuit Zoetermeer rechtzetten kan natuurlijk niet; regelgeving is grofmazig, houdt geen rekening met verschillen en is makkelijk te negeren. Dit geldt overigens ook voor het afgekondigde beleggingsverbod. De `diehards' kunnen gewoon blijven zitten aan hun roulettetafel. Beleggen uit de rijksbijdrage mag dan verboden zijn, spelen met eigen vermogen is toegestaan. Boekhoudkundige creativiteit doet de rest; geld is geld en uit welk potje het komt staat er niet op. De enige grens is de jaarlijkse controle op de jaarrekening. Met name grote confessionele besturen kunnen dankzij hun rijke verleden de portefeuille op niveau houden. Voor de openbaren is dit een beetje wrang. Zij hebben geen oud geld en mogen niet meedoen met de grote jongens. Dat is natuurlijk niet eerlijk. Laat rechtvaardigheid nou net zo'n begrip zijn dat zich wel door landelijke afspraken laat sturen. Het verbod op beleggen smaakt naar meer en het mag best een beetje strenger.

Ton van Haperen is leraar en lerarenopleider.

    • Ton van Haperen