Een verzamelaar met een goede smaak

De familie Uffenbach – een vermogend geslacht uit Frankfurt – komt maar in een kleine uithoek van de Nederlandse geschiedenis voor. Twee telgen hebben enkele malen, vroeg in de achttiende eeuw, uitvoerig ons land bezocht en op die reizen een dagboek bijgehouden. Een daarvan is uitgegegeven en daarin krijgt men een zeldzaam gedetailleerd inzicht in het leven in Nederland, althans in het culturele leven.

Conrad Zacharias Uffenbach en zijn broer Johann Friedrich waren op een zogeheten Bibliothekreise en bezochten stad na stad. Hun eerste aandacht ging naar de plaatselijke geschiedenis, de oude gebouwen en vooral naar de geleerde notabelen die een bibliotheek of een kunstverzameling bezaten. Om die op het spoor te komen vervoegden ze zich bij de plaatselijke boekhandel, of anders bij een dominee of burgemeester, om zich vandaar door te laten verwijzen naar de verzamelaars. Zo hebben ze vele geleerde en pseudogeleerde huishoudens met hun kritisch oog bekeken.

Ook schaften ze boeken, manuscripten, prenten en tekeningen aan. Conrad Zacharias bouwde in Frankfurt een enorme bibliotheek op. Zijn jongere broer Johann Friedrich (1687-1769) legde zich meer toe op prenten en tekeningen. Hij woonde zijn leven lang in Frankfurt, maar liet testamentair zijn collectie na aan de Georg-August-universiteit van Göttingen. Zo berust sedert zijn dood een verzameling van duizend tekeningen in het prentenkabinet van die universiteit. In de loop der jaren is die verzameling nog uitgegroeid. Uit dit bezit is een selectie van honderd tekeningen gemaakt, die voorzien van een mooie uitvoerige en niet dure catalogus, een rondreis maakt lang een aantal Duitse musea. Gelukkig voor Nederland is ook het Noordbrabants Museum in het circuit opgenomen. Het is een zeldzame mogelijkheid om een blik te werpen in deze collectie en iets te zien van de smaak van deze achttiende-eeuwse liefhebber.

Een echte lijn in Johanns aankopen is er niet. Waarschijnlijk kocht hij los van kunsthandelaren en op veilingen wat hij gewoon aardig vond en wat niet te extreem duur was. Een goede smaak, dat wel. Een voorkeur had hij voor Noord- en Zuidnederlanders; in mindere mate zijn Italianen en Duitsers vertegenwoordigd. Zijn keuze begint met de vroege vijftiende-eeuwse Vlamingen en loopt door tot het eind van de zeventiende eeuw. Voor `modern', dus achttiende-eeuws werk, had hij geen belangstelling.

De tentoonstelling heeft een min of meer thematisch karakter. Er hangen bijbelse en mythologische onderwerpen, veel landschappen en maar een paar portretten. Hoe weinig ook, die laatste maken direct al aan het begin een grote indruk. Hier hangen twee portretten uit het begin van de zestiende eeuw, beide van Duitse kunstenaars. Van Hans Burgkmaier de Oude een krachtig portret van een man met een rode muts met veer, zo'n typisch solide getekende kop waar de Duitsers het patent op hadden. Het andere portret is van de hand van Hans von Kulmbach. Dit is minder gaaf bewaard gebleven, maar daarom niet minder fascinerend. Het stelt een jongeman voor, getooid met een baret, die in driekwart ietwat verbaasd de beschouwer aankijkt. De kleuren, het geel van het haar, het rood van de huid zijn in de loop van ruim vijf eeuwen verbleekt, de contouren van ogen,lippen en haren zijn in later tijd wat nadrukkelijk overgetekend en het linkeroog zit ook nog eens scheef en iets te groot in zijn kas. Maar misschien juist door die gebreken is het een intrigerende kop geworden, zoals ook een ruïneus bouwwerk een meerwaarde heeft gekregen door zijn afbrokkeling en begroeisels.

Aan landschappen is een ruime variatie te zien. Van een vroege tekening toegeschreven aan Campagnola die met luchtige pennestreeken een ruim landschap oproept met een ver uitzicht over een baai, tot een hermetische tekening van Peter Stevens die met norse, stevige streken juist een onverwoestbaar en mensloos rotslandschap heeft neergezet.

Bekende landschapspecialisten zijn vertegenwoordigd, zoals Esaias van de Velde, Jan van de Velde, Pieter Molyn en Jan van Goyen. Maar ook van minder bekende namen hangen hier prachtige tekeningen, zoals van Anthonie van Borssom en Johannes Ruijscher. Ook hier valt een merkwaardig unicum op: een stormachtig, nachtelijk landschap van Pieter de Bloot, uitgevoerd in bruine olieverf. De boerenhut en de oude eik op de voorgrond houden nauwelijks stand, de heuvel en de hemel zijn naargeestig belicht en aan de galg in de verte hangt een opvallend stil lijk.

Afgezien van de uiteenlopende scholen, thema's en technieken is er nog een ander aspect dat deze tentoonstelling de moeite waard maakt. Er zijn nogal wat tekeningen die als ontwerp hebben gediend: voor glas-in-loodramen, voor prenten voor muurschilderingen en voor schilderijen.

Het kleinste werk uit de hele expositie is van de grootste meester. Het is een uitgeknipt fragment van een oefenblad van Rembrandt. Een nietig stukje papier met in snelle streken weergegeven een weinig verbeeld mythologisch verhaal, de geschiedenis van Kekrops en Erichtonios: een slangachtig menselijk gedrocht wordt samen met een slang in een doos bewaard. Die doos mag niet worden geopend, wat natuurlijk toch gebeurd tot ontzetting der omstanders. Precies dat moment van verbazing, schrik en afkeer staat in een paar krabbels van de pen op dat stukje papier. Uffenbach heeft dat op waarde geschat.

Met meesterhand getekend. Europese tekeningen uit de verzameling Uffenbach. Noordbrabants Museum. T/m 26 augustus. Catalogus ƒ44,-