Alleen van de kapper valt niets meer te stelen

Het oosten van Congo is het slagveld geworden van `ondernemers in onveiligheid'. De economie is er op de oorlog geschoeid.

In de Oost-Congolese stad Uvira is één op de vier winkels een kapperszaak. ,,Dat heeft met onze ijdelheid niks te maken'', lacht een kapper. Dat Congolezen zich graag laten opdoffen bij kapper- en schoonheidssalon is bekend. ,,Er zijn in Uvira al zoveel malen winkels geplunderd', vervolgt de kapper, ,,dat geen ondernemer meer in een zaakje investeert. Behalve in een kapperszaak, want daar valt niet meer dan kam en schaar stelen.''

In Oost-Congo is de economie op de oorlog geschoeid. En de oorlog op de economie. `Ondernemers in onveiligheid' worden de verscheidene regeringslegers, tribale milities en rebellengroepen wel genoemd. Zoveel chaos zaaien ze, dat plunderen voor werkloze jongeren de beste baan wordt en buitenlandse zakenlui onbekommerd Congo's grondstoffen kunnen stelen. Oorlog in Congo is een lucratieve business.

Inwoners van Uvira en kerkelijke bronnen beschuldigen regeringssoldaten uit Rwanda en Burundi van grootschalige plunderingen in het door hen gecontroleerde Oost-Congo. ,,Ze horen hier niet en daarom stelen ze alles. Want ze weten dat ze toch eens zullen moeten vertrekken'', zegt een pater venijnig.

Ligogo Rwama is een boze stamoudste van de Bafulira. ,,De Rwandese soldaten stelen onze grondstoffen en ivoor uit onze wildparken'', moppert hij. ,,Als ze wapens buitmaken op het Congolese regeringsleger worden die naar Rwanda gestuurd.'' Ruharuwa Kabanga, een ontheemde uit een dorpje vlakbij Uvira, beschuldigt de Rwandezen ervan zijn streek te hebben leeggeplukt: ,,Ze roofden de machines van een suikerplantage en de bedden uit ons ziekenhuis. Alles ging richting Rwanda''.

Dagelijks zijn er aanvallen op de wegen rond Uvira. Boeren kunnen hun producten niet meer naar de markten brengen en in de steden goederen kopen. De officiële economie van Oost-Congo ligt op zijn gat. Ook de ambtenaren van de rebellenautoriteiten ontvangen geen salaris en moeten voor zichzelf zorgen. Ze doen dat met geweren. ,,Net als onder de voormalige president Mobutu'', zegt Simon Katana, een lokale bestuurder, ,,alleen toen was er veel meer geld.''

Toch wordt er goed geld verdiend in het oosten, maar niet door de Congolezen. ,,De lokale economie is overgenomen door Rwanda en Oeganda'', concludeert een recent rapport van de Verenigde Naties over de illegale exploitatie van Congo. In de Noordcongolese steden Gbadolite en Bunia komen alle consumptiegoederen uit Oeganda, in het Oost-Congolese Bukavu rijden Rwandese taxi's, in Uvira is alles Burundees en de enige telefoonverbindingen lopen via de netwerken van de buurlanden in de hoofdsteden Bujumbura en Kigali. Buitenlanders controleren de luchtvaartmaatschappijen. Air Alexander bijvoorbeeld is van Jovia Akandwanaho, echtgenote van de broer van de Oegandese president Museveni.

,,Het conflict in Congo heeft voor alle oorlogvoerende partijen een win-win-situatie gecreëerd'', stelt Safiatou Ba-N'dow, die het onderzoeksteam van het VN rapport leidde. Direct na het uitbreken van de tweede Congolese oorlog in 1998 begonnen Oegandese soldaten goud- en diamantmijnen te bezetten. De Oegandese legerleider James Kazini zat onmiddellijk in zaken. Volgens het rapport werden tussen september 1998 en augustus 1999 ,,op massale wijze voorraden grondstoffen, landbouw- en bosproducten en vee gestolen. Burundese, Rwandese en Oegandese militairen bezochten boerderijen, fabrieken en banken en brachten de goederen naar Kampala, Kigali en Bujumbura''.

Congo is extreem rijk aan grondstoffen. In de goudmijn Kilo-Moto, aldus het rapport, stelden Oegandezen Congolezen te werk die iedere dag één gram goud aan hen moeten afstaan. In het door Oegandese troepen gecontroleerde Garamba wildpark werden door goedgeorganiseerde stropers tussen 1995 en 1999 vier tot twaalfduizend olifanten geveld voor hun ivoor. Rwanda liet gevangenen uit Kigali werken in een mijn voor de ontginning van coltan, een strategische grondstof voor telecommunicatie en informatietechnologie.

In Oeganda verdienen vooral individuele hoge militairen aan deze roverij en de Oegandese staat int meer belastingen door de uitvoer van Congolese grondstoffen. Volgens gegevens van de Oegandese Centrale bank exporteerde Oeganda in 1995, vóór het uitbreken van de oorlog, 23 miljoen dollar aan goud. In 1996 bedroeg de goudexport inmiddels 60 miljoen dollar en in 1997 105 miljoen.

De Rwandese president Kagame noemde de betrokkenheid van zijn troepen in Oost Congo een ,,zichzelf financierende oorlog''. In tegenstelling tot Oeganda creëerde Rwanda een schimmig netwerk van bedrijven om de inkomsten uit Congo direct in de staatskas te laten vloeien. De legers van Rwanda en Oeganda, die als bondgenoten de oorlog begonnen, raakten de afgelopen twee jaar drie keer slaags rond de stad Kisangani, naar verluidt over de controle van de goudmarkt van deze stad.

Oeganda en Rwanda legden geïrriteerd de bevindingen van het VN-onderzoeksteam ter zijde. Ze wijzen op de onevenwichtigheid in het rapport, dat in details de diefstal door Kampala en Kigali beschrijft, maar veel minder woorden vuilmaakt aan gelijksoortige exploitatie door soldaten uit Zimbabwe, Angola en Namibië aan Congolese regeringszijde.

Oost-Congo is het lucratieve voortuintje geworden van Rwanda en Oeganda. De bewoners wijten hun misère aan `de buitenlandse agressors'. Alle buitenlandse hulpverleners pakten hun biezen nadat twee keer hun kantoren in Uvira waren geplunderd. De Congolese vertegenwoordiger van het Rode Kruis in Uvira haalt zijn schouders op. ,,We hebben geen idee van de humanitaire situatie. Het is belabberd, ja dat is zeker.''