Tour als leerschool van Frans talent

Het Franse wielrennen verkeert al jaren in een dal. In de Tour de France doen renners als Christophe Moreau, een outsider voor de eindzege, en Laurent Jalabert de belabberde staat van het Franse cyclisme een beetje vergeten.

Allez Virenque. Langs het parkoers van de Tour de France kom je ze met een regelmaat van de klok tegen, de aanmoedigingen voor de populairste wielrenner van Frankrijk, Richard Virenque. Op spandoeken, neergekalkt op het wegdek of uit de kelen van supporters zodra het peloton voorbijdendert.

Wellicht heeft Virenque al kennis van genomen van de aanmoedigingen, maar deze keer niet in de hoedanigheid van deelnemer aan de Ronde van Frankrijk. De volksheld die vijfmaal de bolletjestrui won, als beste klimmer in de Tour, zit een schorsing uit die hij opgelegd kreeg nadat hij bekende doping te hebben gebruikt. Zijn rentree is aanstaande; medio augustus keert het idool van de wielernatie weer terug, ditmaal in de trui van een nieuwe werkgever, Domo-Farm Frites.

Tegenover de afwezigheid van Virenque staat de aanwezigheid van een groot contingent Franse renners, merendeels ondergebracht bij acht Franse ploegen. Begin dit jaar waren al zes equipes uit het land van Tourbaas Jean-Marie Leblanc zeker van deelname aan de meest prestigieuze wielerronde (Bonjour, Crédit Agricole, Festina, AG2R, Cofidis en Jean Delatour), in mei kwamen er dankzij de toewijzing van in totaal vijf wildcards nog twee Franse ploegen bij: La Française des Jeux en BigMat. Tourdirecteur Leblanc verkoos een oververtegenwoordiging aan Franse ploegen boven teams met grote namen als Mario Cipollini en Marco Pantani, als zijn bijdrage aan de ontwikkeling van het Franse cyclisme. Oftewel: de Tour de France als leerschool voor jong Frans talent.

Met een wildcard kwam La Française des Jeux naar de Tour, met onder anderen de sprinter Jimmy Casper, Parijs-Roubaix-winnaar Frédéric Guesdon en de altijd aanvalslustige Jacky Durand. BigMat, ook met een wildcard bedeeld, is de ploeg van Stéphane Heulot, vijf jaar geleden nog drager van de gele trui. Het totaal aantal renners met de Franse nationaliteit in de Tour kwam na het verdelen van de vijf wildcards op 51; meer dan een kwart van het peloton van 189 renners dat een week geleden in Duinkerken aan de 88ste Tour de France begon.

Slechts drie Fransen rijden in buitenlandse dienst: de gebroeders Laurent en Nicolas Jalabert bij het Deense CSC, Laurent Desbiens bij het Spaanse Kelme.

In Duinkerken konden de Fransen al een feestje vieren dankzij de overwinning in de proloog van Festina-renner Christophe Moreau. Een jongen met een door het verboden prestatiebevorderende middel nandrolon besmet verleden, maar de toeschouwers juichten er bij de finish aan de boulevard in Duinkerken niet minder om.

Vorig jaar was Moreau met zijn vierde plaats de beste Fransman in de Tour, dit jaar maakt hij een goede kans om in Parijs op het podium te komen. De laatste Fransman die daarin slaagde was Virenque. Die werd in 1997 tweede, op bijna tien minuten van Jan Ullrich. Optimisten zien in outsider Moreau de eerste Franse Tourwinnaar sinds Bernard Hinault. Met zijn laatste Tourzege bracht De Das in 1985 zijn totaal op vijf.

Moreaus land- en ploeggenoot Florent Brard kwam op de openingsdag van de Tour ook op het podium; de nationaal kampioen tijdrijden verdiende met zijn vijfde plaats in de proloog, bij zijn Tourdebuut, de witte trui van de beste jongere.

Laurent Jalabert, vorig jaar nog drager van de gele trui, behaalde het daaropvolgende Franse succes. In Verdun won hij woensdag een etappe, zijn derde sinds zijn Tourdebuut in 1991. Nadat hij in februari thuis van een ladder was gevallen bij het verwisselen van een lamp en daarbij drie ruggewervels had gebroken, vreesde de 32-jarige renner dat hij niet meer in het peloton zou terugkeren. Jaja bleef dat doemscenario bespaard en met zijn zege in Verdun keerde hij definitief aan de top terug.

De laatste Franse zege in deze Tour, die van Crédit Agricole, was het werk van vijf buitenlanders. De snelste tijd in de ploegentijdrit van Verdun naar Bar-le-Duc werd gerealiseerd door een kwintet dat bestond uit de Amerikanen Bobby Julich en Jonathan Vaughters, de Australische geletruidrager Stuart O'Grady, de Noor Thor Hushovd en de Duitser Jens Voigt. De vier Franse renners uit de ploeg waren voor de aankomst in Bar-le-Duc al gelost.

Vooral buiten de Tour de France ontbreekt het aan grote successen voor Franse renners. In de voorjaarsklassiekers bijvoorbeeld was er al vier jaar lang geen winnaar met de Franse nationaliteit. Guesdon was de laatste. In 1997 schreef hij de kasseienklassieker Parijs-Roubaix op zijn naam. In de etappekoersen geldt hetzelfde verhaal. Het aantal Franse eindzeges in de Tour is het grootst (36 uit 87), maar de laatste, van Hinault, dateert alweer van zestien jaar geleden. Fignon was in '89 de laatste Fransman die de Ronde van Italië op zijn naam schreef, Jalabert in '95 de laatste die de Ronde van Spanje won.

Ter verklaring van de teruggelopen prestaties wordt vaak gewezen op het strenge dopingcontroleregime in Frankrijk. Volgens anderen heeft het matige presteren van de Franse renners niets met een streng dopingbeleid te maken, maar is het simpelweg een kwestie van mentaliteit. Franse wielrenners zijn lui, klinkt het ook vanuit de boezem van het peloton. Als ze geen zin meer hebben, dan stappen ze af.

Voor de Tour maken ze evenwel graag een uitzondering. Voor volk en vaderland willen ze zich vooraan laten zien. Zeker vandaag, op Quatorze Juillet.