Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Wielrennen

Loden last

Het ultieme bewijs is geleverd door Anton Geesink op de Alpe d'Huez. De voormalige judoreus die nog altijd 138 kilo met zich meetorst, probeerde met een groepje vrienden de Alp te beklimmen. Hij zag Zoetemelk, Kuiper, Winnen, Rooks, Theunisse en Coppi als zijn grote voorgangers en wat hen ooit gelukt was, zou Anton met zijn grote sporthart – zij het in slow-motion – ook volbrengen.

Maar hij kwam in vijf pogingen niet verder dan de zesde van de 21 bochten. Het bleek onmogelijk zijn zware lijf voorbij de rotsen te tillen en Anton is nog altijd beresterk. Vroeger in Utrecht sjouwde hij, bij wijze van training, met zware boomstammen. En de indrukwekkend geblokte Japanse reuzen legde hij destijds gegrild op de mat. Maar de Alpe d'Huez? Dat lukte niet. Omdat Anton in het immense rotslandschap op een natuurwet botste.

Ik stond twee jaar geleden in de Giro d'Italia in een skigondel die ons van de top van de Gran Sasso d'Italia haalde waar in 1944 kapitein Otto Schorzeny met zijn Fallschirmjäger Benito Mussolini bevrijdde, naast Pantani, Gotti en Piepoli. En ik had de tijd deze scalatores, grimpeurs, klimmers eens goed te bestuderen. Santo cielo, wat zijn het iele mannetjes. En wat hebben ze flinterdunne beentjes.

Charly Gaul, Fédérico Bahamontes, Lucien van Impe, Manuel Fuente, Julio Jimenez, Jesus Loronto, Lucho Herrera, in een flits schieten de namen van de beroemde bergkoningen uit het verleden door mijn hoofd. De eerste winnaar van het bergklassement in 1905, René Pottier, was ook al zo'n dreumes. Maar hij heeft niet lang geleefd, hij hing zich amper een jaar na zijn triomf op wegens liefdesverdriet.

En als je erover nadenkt: wie tref je in het hooggebergte aan? Geen olifanten, maar berggeiten. Zo heeft de natuur ook de mensen ingedeeld. Lilliputachtige types die op verdwaalde dwergen lijken in de rotsmassieven van de Tourmalet en de Galibier en de kleerkasten voor Parijs-Roubaix en de tijdritten.

In dit verband maak ik mij zorgen over Jan Ullrich. Hij weegt acht kilo zwaarder dan Lance Armstrong. Nu zijn er natuurwetten waardoor wij weten dat van onze totale energie slechts 25 prpcent kan worden aangewend om bijvoorbeeld ons lichaam tegen de zwaartekracht in naar boven te tillen. Ullrich en Armstrong trappen ongeveer 530 watt op de fietsergometer. Indurain haalde 550 watt. Hij werd dan ook `de grote cilinder' genoemd. Ullrich moet dus met hetzelfde vermogen acht kilo méér naar boven sjouwen. En dit kan vooral bij hoge temperaturen en lange beklimmingen van beslissende betekenis worden.

Nu zegt de formule `watt keer kilo lichaamsgewicht' ook weer niet alles. De factor kan gecompenseerd worden door een perfecte coördinatie van de spieren. Professor Jean Ginet, als fysioloog verbonden aan de universiteit van Nantes en de grote man achter Bernard Hinault, vertelde mij ooit: ,,Weet u, de begaafdheid van Hinault bestaat erin, dat hij de perfecte synchronisatie van zijn spieren behoudt, als andere renners door zware zuurstofschuld neuromusculaire problemen krijgen.''

En tenslotte de psyche, de wilskracht. De mannen die in het grijze schemergebied waar het denken ophoudt en het instinct de overhand krijgt, de pijngrens overschrijden. Het soort Jan Janssen en Gerrie Knetemann, mannen die in de koers drie keer sterven. Ook dát kan een verschil in gewicht enigszins elimineren.

Maar Ullrich moet ten opzichte van Armstrong toch veel compenseren. Acht kilo ballast is een loden last ter hoogte van de eeuwige sneeuw.