Brood spiegel van dubbele moraal

De reacties op het leven van popmuzikant en drugsgebruiker Herman Brood, weerspiegelen de dubbele moraal van de burgerlijke samenleving tegenover de zelfkant.

In de nazomer van 2000 gebeurt er iets belangrijks in Elburg. Herman Brood is aangespoeld. 's Middags zit hij op de terrasjes van dit stadje aan de rand van de Nederlandse bible belt op de Veluwe te drinken en wisselt met jonge vrouwen van gedachten. De plaatselijke middenstand in Elburg is apetrots.

,,Die gekke Brood komt hier bijna elke dag. Mooi toch'', verklaart een groenteboer in plaatselijk dialect. Dat Brood een kwart eeuw geleden voor de ouderlingen van de orthodoxie nog het kwaad in persoon was, weet hij niet. Dat menig ouderpaar toen worstelde met de nijpende vraag of hun emanciperende zoon zijn duistere lokroep naar de stad zou volgen is hem evenmin bekend.

Maar dat Brood nu een aanwinst voor Elburg is begrijpt hij des te beter. Zoveel is dankzij diens exploitatie door de televisie en de bladen wel duidelijk geworden. De cirkel is bijna rond. De jaren zeventig zijn gearriveerd.

Gisteren is de cirkel definitief gesloten. Vanaf het dak van `stadshotel' Hilton – hetzelfde hotel waar drugsretailer Klaas Bruinsma in 1991 door een concurrerende groothandelaar werd doodgeschoten – laat Herman Brood zich te pletter vallen. ,,Je kiest daarvoor'', is het oordeel van een stem des volks in Amsterdam, vrijwel onmiddellijk te midden van een overweldigend en publiek rouwbeklag dat zich ver buiten zijn kring van vrienden en collega's uit.

Maar wie kiest waarvoor?

Laat er geen misverstand over bestaan. Zeker als we zijn werk als schilder buiten beschouwing laten – dat hangt inmiddels in de directiekamer van uitgever PCM aan de Herengracht en is dus van een andere orde – dringt zich een conclusie op. Brood was de belangrijkste rockmuzikant van Nederland. Simpel gezegd: zijn platen waren goed, zijn optredens waren nog beter.

Brood voltooide in de jaren zeventig wat daarvoor in de grondverf was gezet: een brede muzikale oriëntatie op de wijde wereld, die voordien slechts geretoucheerd was toegelaten. Hij was weliswaar een leerling van de eerste gestileerde rockgeneratie uit de late jaren vijftig en een product van de omwenteling in de jaren zestig. Maar hij was bovenal een leraar voor de pubers van het decennium daarna die te jong waren geweest voor The Rolling Stones en soms al te oud voor The Sex Pistols.

Met andere woorden: Brood was niet de gangmaker van de culturele revolutie van de jaren zestig, hij was de exponent van de `Thermidor' die zich in de jaren zeventig uitkristalliseerde.

Dat is de vraag dus niet. De vraag is waarom Nederland gistermiddag even stilstond toen het nieuws over de demonstratieve zelfmoord van Brood bekend werd. Die vraag is gecompliceerder. Schrijver/chroniqueur Martin Bril kwam gisteren in de buurt, toen hij voor de Amsterdamse omroep AT5 over de ogenschijnlijk schaamteloze Brood zei: ,,Rock & roll is vrij man worden. Zijn muziek was de basis voor zijn rol als pias.''

Zeker. Het verklaart echter niet waarom Brood ook buiten de sociaal-culturele gemeenschap van diens rock & roll zo'n geliefde clown is geworden.

[Vervolg BROOD: pagina 2]

Exponent van duivelse jaren '70

[Vervolg van pagina 1]

Dat het publiek in een concertzaal zich identificeert met een man die niet alleen rock 'n' roll speelt maar het zelf ook is, is één ding. Maar dat majoor Bosshardt van het Leger des Heils zich warm over zo'n `rock 'n' roll animal' uitlaat, de Tros er zendtijd op de familiezender Nederland 2 voor vrijmaakt, en andere omroepen een stoet vrienden laat opdrijven om de ziel bloot te leggen, dat is iets heel anders. Dat wijst op een geslaagde democratisering van cultuurgoederen, op een afronding van de spreiding van inkomen, kennis en macht die een kwart eeuw geleden op de agenda stond.

Het is een boude redenering. Veel wijst immers op het tegendeel. Het politieke parool van toen, heeft de afgelopen jaren juist aan prestige ingeboet. Maatschappelijk onderscheid is weer betamelijk. Als de culturele elite zich ergens zorgen over maakt, dan is het niet over haar eigen verleden in hasjholen of andere subculturele kelders maar over het criminele drugsgebruik van de kansloze jeugd op de hoek van de straat, zeker als die Marokkaans is. De bovenlaag vertolkt daarmee het gemoed van de middenklasse en keert aldus terug in het hart van de samenleving.

Maar die dubbele moraal heeft wel een contrapunt nodig, een antipode die Brood bood. Terwijl her en der stemmen opgaan onverbeterlijke junks tot afkicken te dwingen, werd van Brood verlangd dat hij zich daaraan juist niet zou onderwerpen. Zijn afwisselende en gecombineerde hang naar heroïne, cocaïne, speed, drank en gokken was geen maatschappelijk probleem. Die was hooguit vertederend deerniswekkend. Met name voor de media die zichzelf afficheren als spreekbuis der middenklasse en Brood presenteerden als de leuke tandeloze junk die werkt voor zijn geld.

Naarmate de jaren negentig vorderden, werd Brood een spiegel van dit nieuwe Nederland: een samenleving die in groeiende voorspoed doormoddert, met achteloze ergernis over de daklozen heenstapt en daarbij als morele aflaat een overzichtelijke hoeveelheid bohème nodig heeft.

Ook Brood zelf groeide op het oog in die rol als exponent van de duivelse jaren zeventig die toch nog een lichtpuntje hadden opgeleverd. Een week geleden liet hij zich bijvoorbeeld voor draaiende camera's het hoofdstedelijke hotel The Grand binnenslepen voor een sessie met het wassenbeeld dat Madame Tussaud in petto heeft. Hij toonde zich er tevreden met de gelijkenis van zijn ,,wantrouwende ogen''. Dat hij wel degelijk kon lopen en de veredelde ziekenbroeders, die hem onder de schouders ondersteunden, een grap waren, onthulde hij niet.

Want Brood was inmiddels het prototype van `épater le bourgeois', die dubbelzinnige combinatie van ergernis en bewondering bij de `nette burgerman'. Het ging steeds minder om de energieke passie van zijn muzikale talent en steeds meer om zijn gebruikswaarde als opvoedkundig model.

Herman Brood was onze Diego Maradona.