Goede reis is duur

Omdat de winter al een hele tijd voorbij is, moet ik hoognodig weg. Ik word kribbig en maak ruzie. Vreemde streken. Vreemde oorden. Vreemdelingen spreken over zaken waar ik geen verstand van heb maar die ik een warm hart toedraag. Vooral lekker eten. Smakken en slempen of delicate schotels verorberen. Niks uit de vriezer en dan de magnetron in. Ik wil de glimlach van de kok na afloop zien en hem de hand schudden. Ik weet precies waar ik naartoe ga. Naar Frankrijk. Daar eten ze twee keer per dag lekker en goedkoop. Hoe kan het ook anders als je zevenhonderd maal per jaar uit eten gaat? Jambon persillé een verrukkelijk licht voorgerecht. De ham in gelei met peterselie. Daarna bijvoorbeeld een konijntje gesmoord in cider. Of troufade auvergnante met spek, kaas en aardappelen en droge ham waar ik zo gek op ben en een stevige, aardse Bourgogne erbij. Wat in de Auvergne lekker is? Saucisses aux lentilles. Niertjes? Heerlijk in rode wijn met ei, paddestoelen en prei. Wel eens tart aux cailles gegeten met als toetje perengebak? Maar eerst kaas. Geitenkaas die naar pis, verderf en verachting smaakt zoals de Crottin de Cavignol.

Het kost daar allemaal niks want wat lekker is hoeft heus niet duur te zijn. Ja, dat vinden ze hier. Mijd restaurants met zilveren kandelaars op tafel. De Nederlander kan niet koken en vooral niet eten, niet voor niets staan de krantenbijlagen vol over hoe en waar je moet eten. Wie weet wat lekker is leest er niet over. Verder is het bekend dat mensen die van lekker eten en drinken houden niet oorlogszuchtig zijn. Alle onderdrukkers en wereldveroveraars hielden niet van eten. Zet ze zelf maar op een rijtje. Terwijl Corsica toch een behoorlijke keuken heeft, was Napoleon verre van een lekkerbek. Frederik de Grote? Rats, kuch en bonen. Michiel de Ruyter, de dwaas, gooide de kippen die hij meenam op zijn tochten om elke dag van een vers eitje verzekerd te zijn, overboord als ze van de leg af waren, in plaats er een lekkere coq au vin van te laten klaarmaken.

Ik sta vroeg op en reserveer alvast mijn plaats in de sneltrein naar Orange. Hoe eerder je op het station in de rij staat, des te sneller word je geholpen. Als ik met mijn ticket op zak huiswaarts keer, vind ik me maar wat slim dat ik dat allemaal voor morgen heb geregeld. Thuis pak ik mijn oude vertrouwde Michelingids en bestel een kamer in hotel `La Hirondelle'. Nee, niet in Orange, ik wil naar buiten, naar een kleine plaats tussen de amandelbomen en de olijfgaarden, waar de lavendel geurt en de Côte du Rhône vandaan komt. De lieve stem van de verre herbergierster die boven de stoofpotten met me telefoneert... Nee, er is geen busverbinding, maar dan neemt meneer François toch een taxi, de chauffeur kent de weg. Als dat ook is geregeld en ik Frans geld heb gehaald, ben ik maar wat trots op mezelf. `Bon voyage, monsieur François!'

Nu kom ik pas echt in een driftige reisstemming. Dat lieve, Provençaalse accent. Als ik aan de late kant ben is er altijd nog wel een schotel koud vlees voor monsieur. Die schotel zal dat mensje zeker wel voor me opwarmen. Wat soep vooraf. Stokbrood en een demi rouge. Wie doet je wat. Kaas toe en perengebak uit eigen oven en dat allemaal voor niks, vanwege de eeuwenoude Franse gastvrijheid. Die taart? Daar was nog een flink stuk van over. Van over? Niks, speciaal achtergehouden voor monsieur François!

Als ik de volgende avond in Orange aankom is het negen uur. Hier hebben ze nog nooit van een autobus gehoord lijkt het wel. Daar staat de eenzame taxi, die zal mijn vrouwtje hebben bedoeld. De toppen van de heuvels zijn nog vaag verlicht. Olijven en cypressen. Voorlopig krijgen ze me hier niet meer weg.

Verdraaid die taxi is niet bepaald goedkoop. Ja, wat wil je vijftig kilometer. Bijna de prijs van mijn enkele reis. En dat hotelletje? Vier sterren met dat verlichte zwembad voor de deur. Een jongeman in uniform neemt mijn rugzakje aan. De glazen deuren gaan automatisch open. In de hal vliegtuigmuziek. Monsieur François is aan de late kant als hij nog wat wil eten moet hij voortmaken, de keuken sluit zo. Creditcard en handtekening. Of ik een ontbijt wil. Ik ben moegereisd. Ik zeg op alles ja. De obers sluipen rond in wit en goud. Ik heb mijn woordenboekje in mijn rugzak gelaten die de eigenwijze snotneus mee heeft genomen. Iemand schuift een stoel onder mijn gat. Menu- en wijnkaart. Ik wijs maar wat aan.

Soep met flarden hersens lijkt het wel. Is het hoofdgerecht een vlees- of pensschotel? Ik krijg het niet weg. Van stokbrood hebben ze hier kennelijk geen weet. Met veel misbaar wordt een halve fles Châteauneuf du Pape voor me opengetrokken. Nooit heb ik zo vies gegeten. Hoe heet perentaart nog maar in Frans? Koffie? Ik doe straks geen oog dicht. Als ik mijn kamer binnenstap gaat de televisie automatisch aan. In de badkamer glijd ik uit en kom lelijk op mijn elleboog terecht. Verstuikt. Gelukkig krijg ik het geluid van mijn televisie uit, het beeld blijft de hele nacht spoken. Het ontbijt stelt natuurlijk niks voor. Nog een keer creditcard. Alles bij elkaar ben ik inclusief taxi achthonderdtwintig gulden kwijt. Alleen dat flesje wijn kost me al vijfendertig gulden.

Ik vind een ander hotel voor slechts tweehonderdzestig gulden per nacht zonder ontbijt maar wel met een douche en een wc op de gang. 's Avonds blijkt het eten aangebrand en de open wijn lijkt al eens voor andere doeleinden te zijn gebruikt. Ondanks mijn verstuikte arm toch een auto gehuurd. Tien dagen vooruit betalen. Ik vind een leuk gastvrij hotel en wat ik opsnuif met een voortreffelijke keuken. Natuurlijk is er plaats. Prachtige, eenvoudige kamer met bloementerras. Heerlijk eten. Goed geslapen. Voor één dag en één maaltijd vierhonderdtachtig gulden kwijt.

Er zit geen schot in het weer. Kou en regen. Om het ontbijtgeld uit te sparen zit ik op een nat pleintje droog brood te eten. Weg hier naar huis. Auto terug. Geld weg. Opstopping in Parijs. Aansluiting gemist. De volgende Thalys blijft in een weiland voor Brussel staan. Met een stoptrein naar Roosendaal. Stoptrein naar Dordrecht. In Leiden treinstaking. Taxi genomen naar Amsterdam. Wordt vergoed door de NS zeggen ze, zeggen ze. Als ik eindelijk de Westertoren passeer hoor ik de stem van mijn betreurde reisvriend Belcampo: `Reizen duur? Jongen je wordt er alleen maar rijker van.'