Het onbekende moederland

De moeizame binnenkomst en inburgering van Indische Nederlanders na de oorlog is nu eindelijk met compassie beschreven en wetenschappelijk geanalyseerd. De immigranten kregen een kille ontvangst, want de koloniale onkunde was groot.

In 1952, toen de eerste golf van Indische Nederlanders zich min of meer in Nederland had gevestigd, ging een commissie onder leiding van Ph. Werner, de secretaris-generaal van het nieuwe ministerie van Maatschappelijk Werk, naar Indonesië om te onderzoeken hoe een nieuwe stroom van zulke immigranten kon worden ingedamd. De commissie besloot een onderscheid te maken tussen de westerse Nederlanders, die door opvoeding en ontwikkeling gelijk waren aan de autochtone Nederlanders in het moederland, en de oosterse Nederlanders, geworteld in Indië, die door aanleg of milieu beter in Indonesië konden blijven. Niet hun Nederlandse burgerrecht zou hun recht moeten geven op binnenkomst in Nederland; hun oosterse leef- en denkwijze zou een argument moeten zijn om hen in Indonesië te houden.

Het rapport van de commissie, dat in feite een raciale norm aanbeval voor de selectie van Indische immigranten, bleef geheim. Maar de latere gouverneur van Nieuw Guinea, J. van Baal, kreeg een exemplaar onder ogen en schreef aan de minister van Maatschappelijk Werk, dat Werner en de zijnen een rassenleer volgden `die in wezen van die van Hitler en Alfred Rosenberg niet veel verschilt.' Hij parafraseerde het rapport als volgt: `Het ras der Nederlanders is superieur en wij willen alleen maar bijmenging met andere elementen, wanneer die blijken eveneens superieur te zijn. Het is een kring van pseudo-wetenschappelijke gedachten, die diende als basis voor de Joden-vervolgingen.' De Nederlandse regering nam het rascriterium niet over. Integendeel, naarmate in de jaren vijftig de politieke crisis om Nieuw Guinea de Indische Nederlanders in steeds grotere getale uit Indonesië verdreef, werd de noodzaak van een toelating ook door de zuinige kabinetten-Drees erkend.

Van één feit kan de Indische gemeenschap in Nederland inmiddels zeker zijn: het relaas van haar moeizame binnenkomst en inburgering in Nederland na de Tweede Wereldoorlog is zorgvuldig beschreven en wetenschappelijk geanalyseerd. Het is bovendien met compassie gedaan want de schrijver, de socioloog Wim Willems, kon er het noodzakelijke invoelingsvermogen voor opbrengen. Deze studie, die weliswaar De uittocht uit Indië heet maar over binnenkomst gaat, want het gezichtsveld is het Nederlandse, moet de emigranten uit het voormalige Nederlands-Indië hun plaats geven in de naoorlogse geschiedenis. De roep om erkenning, om een beoordeling op eigen merites is verhoord.

Willems studie is het derde en laatste boekdeel in een reeks van historische publicaties over de Indo-Europese bevolkingsgroep in het koloniale Nederlands-Indië. Het initiatief tot dit grootschalig onderzoek is uitgegaan van de Nederlandse regering. Met dit thema, de binnenkomst van de Indischgasten vanaf 1945, komt dit onderzoek bovendien in het domein van weer een andere regeringsopdracht: die van studie naar de terugkeer van oorlogsgetroffenen in het bevrijde Nederland, die in november moet verschijnen. Het is geschiedenis op bestelling. Door op een stelselmatige wijze de binnenkomst van de oorlogsgetroffenen te belichten of de immigratie van Indische Nederlanders, wordt niet alleen recht gedaan aan hun lotgevallen, maar kunnen de conclusies ook deel gaan uitmaken van een min of meer officieel geschiedbeeld. Met andere woorden: wat als lacune in het collectieve geheugen van de natie wordt aangemerkt, moet worden gevuld met de resultaten van verantwoord wetenschappelijk onderzoek en liefst ook in een leesbare vorm.

Bestelde geschiedschrijving hoeft niet te betekenen, dat de auteur zich voegt naar de opdrachtgever. Het is nog zeer de vraag of een onderzoeker bij voorbaat het oordeel van het kabinet deelt dat de oorlogsgetroffenen bij hun terugkeer in de Nederlandse samenleving een kille ontvangst te wachten stond. Die conclusie is politiek al getrokken, met alle gevolgen van dien. In geschiedkundig opzicht moet die gevolgtrekking nog worden bewezen en vooral ook verklaard. Want de historicus is slechts moralist op basis van wetenschappelijke argumenten en op de overtuigingskracht daarvan wordt hij beoordeeld. In Willems' boek is de kilte van de ontvangst – ook letterlijk de natte koude voor wie in de tropen was opgegroeid – onmiskenbaar aanwezig. Het allereerste woord in zijn boek is `onbegrip'. Maar is het ook met kracht van overtuiging geponeerd?

De auteur verwijst voor een rechtvaardiging van zijn studie naar de agitatie voor een eigen geschiedenis van de Indische gemeenschap in Nederland. Deze kende twee bepalende momenten. Het eerste brak halverwege de jaren tachtig aan, toen het elfde boekdeel, het Indische deel, verscheen van L. de Jongs serie over Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. De auteur had zich voor en na de oorlog leren kennen als een politiek criticus van het (Nederlandse) kolonialisme en maakte daar in zijn officiële geschiedschrijving geen geheim van. De Indische lobby stapte op initiatief van Ralph Boekholt, niet alleen de hoofdredacteur van het tijdschrift Moesson maar ook nog meelezer van De Jongs manuscripten, naar de rechter om de rijksgeschiedschrijver te dwingen een andere versie te produceren over de vooroorlogse samenleving in het koloniale Indië. Dat mocht hem niet baten.

Het volgende moment brak aan toen in 1991 de toenmalige minister-president Ruud Lubbers met een ei werd bekogeld tijdens de herdenking van de Japanse capitulatie op 15 augustus. Tevoren had zijn Japanse ambtgenoot, op bezoek in Nederland, een krans gelegd bij het Indisch monument. In de Indische lobby werd de laatste een loos gebaar verweten, de eerste onverschilligheid. Lubbers organiseerde prompt een beraad met wat sindsdien het Indisch Platform is gaan heten. Een van de aanbevelingen was een `handzame en ongekleurde geschiedenis over Nederlands-Indië'. Lees: een studie waarin de opkomst, de Indo-Europese gemeenschap in Nederlands-Indië in een oorspronkelijke belangstelling, adequaat en zonder nadrukkelijke koloniale kritiek zou worden beschreven en geanalyseerd.

Over welke gemeenschap schrijft Willems? Over die van wat in het populaire spraakgebruik de Indo's is gaan heten. De Indo-Europeanen vormden in de koloniale samenleving min of meer een tussengroep. Ze waren geboren in Nederlands-Indië en van een gemengde afstamming; een Nederlandse vader en een Indonesische moeder. Een aanzienlijk deel van hen was in weeshuizen opgevoed. Ze onderscheidden zich in hun afkomst, in een vast verblijf in Indië en soms ook in huidskleur van de Europese kolonisten (totoks), die immers slechts een deel van hun (werkzaam) leven in de kolonie doorbrachten en in het vaderland terugkeerden om er van hun pensioen te genieten. In de woorden van Tjalie Robinson: `Het zijn mensen die drie levens hebben tegen wij Indo's maar twee. Wij hebben alleen herinneringen aan Indië. Zij hebben de herinneringen aan Indië plus de herinnering aan het ``ouwe Holland', toen Amsterdam nog Mokum was, toen de Karseboom nog op het Rembrandtsplein was en toen de koningin nog ``de kleine Juliaantje' was.'

Toen het uur van de onafhankelijkheid was aangebroken, werd voor de Indische Nederlanders het dilemma van de loyaliteit levensgroot. Hoorden ze bij het nieuwe Indonesië of dienden ze met de Europese kolonisten zich op een `moederland', dat hun moederland niet was, terug te trekken? Het antwoord geeft de statistiek. Tussen 1945 en 1968 wamen uit Indonesië 296.200 immigranten Nederland binnen. Onder hen zijn ook geteld de 15.000 Molukse militairen met hun gezinnen, die in dienst waren van het koloniale leger en die na de soevereiniteitsoverdracht in 1949 werden afgedankt. Zij vallen buiten de gezichtskring van de schrijver.

Willems komt na optellen en aftrekken op een eerste generatie van Indischgasten van 331.200 personen (onder wie misschien ook totoks zijn begrepen). Van hen zijn er ongeveer 50.000 na hun komst naar Nederland opnieuw geëmigreerd, vooral naar de Verenigde Staten en Australië. In dit overzicht mist men willens en wetens ook de Indo-Europeanen die in het onafhankelijke Indonesië zijn gebleven en die daarom niet tot een geschiedenis van migranten kunnen worden gerekend. Maar bij de telling wordt er nog een groep gemist: de zuiver Indonesische immigranten in Nederland.

De binnenkomst van de duizenden Indische Nederlanders aan het einde van de Tweede Wereldoorlog is in bepaald opzicht een historische primeur geweest: het is de eerste massale intocht van min of meer gekleurde immigranten in Nederland. Vòòr 1940 was er al wel sprake van een overkomst van Indonesische, Surinaamse of Antilliaanse studenten of economische gelukszoekers uit de Nederlandse koloniën, maar zij laten zich tellen in honderden. Eerst in het zicht van de dekolonisatie komen er duizenden. En toen de Indische groep zich eenmaal min of meer had gevestigd in de jaren zeventig, kwam er de overtocht van duizenden uit Suriname in de periode voor de onafhankelijkheid van deze kolonie in 1975. In de lange geschiedenis van Nederland als land van immigratie veroorzaakt de dekolonisatie een aanwijsbaar nieuwe fase.

Willems onderscheidt in de immigratie van Indische Nederlanders twee fasen. De eerste begint in augustus 1945, nadat Japan heeft gecapituleerd en Soekarno en Hatta de onafhankelijkheid van Indonesië hebben uitgeroepen. Wat later een definitieve overtocht is geworden, werd aanvankelijk opgevat als een tijdelijk verblijf. Indische Nederlanders moesten buiten Indonesië bijkomen van de ontberingen van de Japanse bezetting. Maar inmiddels was de strijd om de Indonesische onafhankelijkheid in volle hevigheid losgebarsten; een strijd die ook de Indo-Europese groep bedreigde, zeker in de eerste gewelddadige maanden van de revolutie.

Een tweede fase in de immigratie is de periode na de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië eind 1949. Kort na die overdracht en vooral bij het oplopen van de crisis rond Nieuw Guinea in 1957 en 1958 verlieten duizenden Indische Nederlanders hun geboorteland. Ze worden repatrianten genoemd, ofschoon zij Indië als vaderland kennen en dikwijls Nederland nog nooit hadden gezien.

De eerste golf van Indischgasten ontmoette na aankomst een bevolking die bezig was zich van de Duitse bezetting te herstellen; met name van de verwoestingen in het laatste oorlogsjaar. Wederopbouw, ook van het eigen leven, had de voorrang boven belangstelling voor verhalen van terugkerende oorlogsgetroffenen. De immigranten konden bovendien rekenen op onkunde en vooroordelen. `De meisjes op school wisten niets van Indië. Een van de knapste meisjes vroeg mij of wij tijgertjes als huisdier hadden. Lopen er echt krokodillen bij jullie op straat en hebben jullie apen in de achtertuin? Ik stond er versteld van. Ook dat ik blond was begrepen ze niet. Er woonden toch alleen bruine mensen in de kolonie? Dat ik Nederlands sprak vonden ze ook al zo vreemd.'

Willems maakt in zijn studie nogal gebruik van citaten uit interviews en andere egodocumenten. Die keuze is bewust gedaan. Het gehele boek kenmerkt zich door empathie met de immigranten wier leven hij volgt, soms tot in Californië en Australië. Door de Indische gemeenschap van binnen uit te beschrijven maakt hij hun lotgevallen invoelbaar en weet hij bij de lezers alsnog het medeleven op te roepen dat hen bij aankomst zo zou hebben ontbroken.

Maar er is ook een keerzijde. Willems kijkt van buiten tegen de Nederlandse samenleving aan, die hen ontvangt. Er is nauwelijks studie gemaakt van de wisselwerking tussen nieuwkomers en gevestigden. Een voorbeeld: onbesproken blijft de indruk die de gewelddadige periode (`bersiap') in de Indonesische revolutie op de publieke opinie in Nederland heeft gemaakt. Het was een tijd van verharding jegens de nationalisten; de periode waarin het plan kon worden doorgezet om duizenden Nederlandse dienstplichtigen naar Indonesië te zenden. Welk effect heeft deze reactie gehad op de bereidheid tot opname van Indische Nederlanders in het moederland?

Het boek staat vol van parafrases op overheidsstukken die een moeizame hulpverlening en integratie weerspiegelen. De Indische gemeenschap was immers de ontdekking van een maatschappelijke zorg, die juist na de Tweede Wereldoorlog onder invloed van een sociologische renaissance tot een eigen departement werd verheven. Rapporten waren naast de egodocumenten het bronnenmateriaal waarop hij zich moest baseren. Maar terecht heeft hij zich ook geconcentreerd op leven en werken van Tjalie Robinson, journalist en vertolker van een authentieke Indo-Europese cultuur en de `culturele makelaar' in de kring der Indische Nederlanders. Robinson, die van zichzelf – heel Nederlands – Jan Boon (1911-1974) heeft geheten, heeft in zijn tijdschrift Tong-Tong de lezers – in 1961 was dat naar Willems' schatting een kwart tot een derde van die gemeenschap – het zelfrespect willen bijbrengen van te behoren tot een eigen Indische mengcultuur. Van hieruit werd de Indische keuken maar ook de Indische literatuur bevorderd. Robinson is het voorbeeld van de Indische Nederlander die zijn afkomst en levensstijl voor zich en anderen wil erkennen als een oorspronkelijke, zonder de koloniale connotatie.

Is er, volgens het moderne politieke spraakgebruik, kilte bij de ontvangst van de immigranten? Er is kilte of onbegrip of het besef bij de nieuwkomers dat ze worden behandeld als tweederangs burgers. Later is er meer publiek mededogen. In 1961 weet de jonge Nederlandse televisie zelfs een golf van kritiek op het schrale toelatingsbeleid van de regering in Den Haag op gang te brengen. Toch kan Willems nergens de indruk wekken, dat de betoonde onverschilligheid jegens de Indische immigranten groter is geweest of meer verwijtbaar dan jegens andere nieuwkomers. Eigenlijk zijn na de Tweede Wereldoorlog alleen de Hongaarse vluchtelingen van 1956 – nieuwkomers na de overweldiging van hun land door Russische troepen – met warmte ontvangen en dat dan nog na een grote mediacampagne en een martelaarsbeeld, gevormd onder invloed van de Koude Oorlog.

Veel interessanter is het om een specifieke oorzaak van de onverschilligheid jegens de Indische Nederlanders te benadrukken: de koloniale onkunde bij de bewoners van het moederland. De kolonies in Oost en West hoorden weliswaar bij het Koninkrijk der Nederlanden en in de aardrijkskundeles op de lagere school werd daar ook aandacht aan gegeven. Maar van raciale tegenstellingen en ongelijksoortig burgerschap had men hier blijkbaar geen notie; Indië bleef een land voor kenners, dat wil zeggen voor wie er was geweest. De Indische Nederlanders zijn door een massale en daardoor onmiskenbare binnenkomst de eerste krachtige getuigenis van een oosterse maatschappij en cultuur, die nu onmiddellijk waarneembaar werd; niet meer uitsluitend door Indische tentoonstellingen en Javaanse dansers.

De foto op de boekomslag laat een beeld zien, dat onmiddellijk met hulpverlening `na de oorlog' kan worden vereenzelvigd: de loopbrug van een groot schip dat aan een Nederlandse kade is afgemeerd. Op de trap daalt een Indische vrouw af, een moeder met kind die de hulp krijgt van een Nederlandse marechaussee. Dat beeld wekt de indruk van meeleven en niet van kilte, ook al is de temperatuur op dat moment zeker niet Indisch. Tot nu toe konden we deze afbeelding associëren met de vluchtelingenstromen na de Tweede Wereldoorlog en met naoorlogs hulpbetoon. In het perspectief van Willems kunnen we het voortaan ook zien als een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van Nederland migratieland: de binnenkomst van duizenden `oosterse' immigranten in wat pas decennia later als een multiculturele samenleving zal worden erkend.

Wim Willems: De uittocht uit Indië 1945-1995. De geschiedenis van Indische Nederlanders. Bert Bakker, 398 blz. ƒ49,58