Verzekerd beleggen

Een verzekering met een onzekere uitkering. Deze tegenstrijdigheid wordt bij bosjes afgesloten: de beleggingsverzekering.

Een verzekering sluit je om risico's op (groot) financieel nadeel te dekken voor het geval je onverwachts iets overkomt. Een verzekeringsmaatschappij maakt er zijn werk van om alles in goede banen te leiden. Hij int de premie bij de mensen die zich willen verzekeren en keert uit aan wie het ongeluk treft.

Sommige verzekeringen stelt de overheid verplicht. De autorijder moet ten minste de aansprakelijkheid bij schade aan derden verzekeren. Maar wat betreft de schade aan de eigen auto kan men zelf beslissen of die wel of niet verzekerd wordt.

Wie bij levensverzekeringen aan een onverwachte gebeurtenis denkt, komt al snel terecht bij het risico van overlijden. Maar evengoed kun je met een levensverzekeraar afspreken dat hij uit zal keren als de verzekerde op een bepaald moment (nog) leeft. Dat nog in leven zijn is namelijk – verzekeringstechnisch gezien – een onverwachte gebeurtenis. Volgens de statistieken haalt een deel van de verzekerden die eindstreep immers niet. Toch blijkt uit die statistieken ook dat iemand die een `kapitaal bij leven' verzekert voor het geval hij 60 à 65 jaar zal zijn, een grote kans heeft om een uitkering te ontvangen. Verzekeraars zijn verplicht om daarvoor een reserve op te bouwen. Achter de schermen spreken kenners van het levensverzekeringsvak dan over de `spaarpremie' als zij het hebben over de premie die de klanten van de verzekeraar op moeten brengen om die levenuitkeringen te financieren. Maar formeel spaart de klant natuurlijk niet. Want bij sparen geef je geld aan een instelling (bank) en daarvoor krijg je een vergoeding (rente). Als de spaarder overlijdt, blijft het spaartegoed over voor de nabestaanden.

Bij een levensverzekering gaat dat anders. Verzekert iemand alleen een uitkering bij leven en hij overlijdt voor de einddatum van het contract, dan is er geen (`spaar'-)tegoed. Volgens afspraak keert de verzekeraar immers alleen uit `bij leven'.

Omdat veel verzekeraars weten dat de meeste mensen het een rare gedachte vinden dat de verzekeraar na overlijden geen geld hoeft uit te keren, bieden zij meestal aan om bij overlijden ook een uitkering te doen. Doorgaans niet de precieze waarde binnen de verzekering op het moment van overlijden. Omdat een verzekering moet afwijken van een spaar- of beleggingsrekening moet zo'n overlijdensdekking maximaal 90 procent van de waarde binnen de verzekering zijn of ten minste 110 procent.

Met een levensverzekeraar valt af te spreken dat hij een bepaald kapitaal gegarandeerd uitkeert over x jaar of als de verzekerde eerder overlijdt. Volgens wettelijke voorschriften moet de verzekeraar dan een zodanige premie innen en het geld zo veilig wegzetten dat hij ook echt in staat zal zijn dat bedrag uit te keren. De premies en de reserve zullen dan meestal in de haven van vastrentende waarden worden geloodst.

Verzekeraars probeerden de afgelopen jaren de consument over te halen om bij hen vermogen te gaan vormen. Dat lukte heel aardig door de aanbieding te laten vergezellen van de kreet `belastingvrij sparen'. Uitkeringen uit kapitaalverzekeringen konden inderdaad belastingvrij zijn, mits aan bepaalde voorwaarden werd voldaan.

Omdat de investering in vastrentende waarden in de jaren negentig niet veel zoden aan de dijk zette kwamen er – mede door intrede van Angelsaksische verzekeraars – zogenaamde beleggingverzekeringen op de markt. En de vorm veranderde ook. De klant sprak niet langer met de verzekeraar af dat die over x jaar borg zou staan voor een bepaald kapitaal. Nee, de klant zou periodiek (per maand, kwartaal of jaar) een bepaald bedrag (premie) gaan betalen, hij mocht aangeven waarin het geld belegd zou moeten worden en aan het einde van de rit zou blijken hoeveel zijn geld waard zou zijn.

Totdat onlangs de inkomstenbelasting gewijzigd werd gingen ook dit soort producten als zoete broodjes over de verzekeraarstoonbank. Nog steeds met een `belastingvrije uitkering' als verkoopargument. En dat was vreemd: want wie rechtstreeks zijn geld belegde in aandelen(-fondsen) moest weliswaar over dividend belasting betalen, maar haalde de koerswinst belastingvrij binnen. Dus waarom de omweg via een verzekeraar? De klanten keken niet verder dan de fiscale neus lang was. Na de belastingwijziging maakt het fiscaal niet meer uit of het geld via een verzekeraar of een bank belegd wordt.

Tijdens een onlangs gehouden symposium van actuarieel adviesbureau Watson Wyatt Brans & Co werd door een verzekeringswiskundige aangetoond dat de verzekeraar zijn rol als zekerheidgever bij beleggingsverzekeringen volstrekt niet speelt. De klant bepaalt immers zelf het beleggingsrisico en daardoor kan het zijn dat de verzekeraar niets hoeft uit te keren. Op zichzelf dus totaal geen verschil met belegging via banken en – al dan niet virtuele – vermogensbeheerders. Daarbij komt dat andere deskundigen (waaronder een combinatie van onderzoeksbureau Nyfer, actuarissen van Tillinghast- Towers Perrin en De Wildbaangroep – kenniscircuit voor financieel adviseurs –) al enkele jaren aantonen dat er volstrekte onduidelijkheid bestaat over geld dat verdwijnt tussen het moment waarop de klant het geld aan de verzekeraar geeft en het weer terugkrijgt.

Voor dit doel is de weg naar de verzekeraar onverstandig. Soms is men echter gedwongen daar zijn heil te zoeken. Wordt aan een werknemer een pensioen toegezegd en het geld kan niet worden ondergebracht bij een pensioenfonds, dan moet het – volgens wettelijk voorschrift – naar een verzekeringsmaatschappij. Voor een privé-voorziening voor de oude dag krijg je alleen belastingfaciliteiten wanneer je geld voor een lijfrenteverzekering (koopsompolis) bij een verzekeraar onderbrengt. Ook in dergelijke situaties worden beleggingsverzekeringen aangeboden. Dat vraagt van de verzekeraar en de adviseurs wel extra communicatieactiviteiten. Het zou vervelend zijn te moeten zeggen: `Tja, u heeft zo belegd dat u nu geen pensioen heeft'. En omdat de verzekeraars de pensioenpolissen in de schoot geworpen krijgen zijn zij welhaast verplicht duidelijker te vertellen wat er met het geld van de klant – dat zij tijdelijk onder hun beheer hebben – gebeurt. De consument kan helpen om die openheid te creëren. Door er regelmatig naar te vragen.