Titanenstrijd

Op het einde van de laatste ijstijd – en mogelijk ook nog daarna – liepen er in Australië tal van grote zoogdieren (onder meer kangoeroes van 3 meter hoog), reptielen (tot 1000 kg) en vogels rond. Het ging, voor zover bekend, om 24 geslachten van reuzenvormen. Daarvan zijn er nu 23 uitgestorven; alleen de kangoeroes van het geslacht Macropus komen nog voor.

Het binnen een geologisch gezien korte tijd uitsterven van zoveel grote dieren heeft tot tal van theorieën geleid, zowel over de oorzaak van het uitsterven als over het moment waarop dat gebeurde. Een van de theorieën is dat de komst van de mens verantwoordelijk is voor het uitsterven. Noch de komst van de mens noch het uitsterven van de diverse geslachten is echter gemakkelijk te dateren. Dat hangt vooral samen met de beperkingen in de tijd die bestreken kan worden met C-14 dateringen. Daarom is het ook steeds een strijdpunt geweest of de diverse groepen reuzendieren gelijktijdig uitstierven.

Er zijn echter inmiddels een aantal nieuwe dateringstechnieken ter beschikking gekomen. De twee belangrijkste zijn optische luminescentie (waarmee van aan een skelet klevende zandkorrels kan worden vastgesteld hoe lang geleden ze voor het laatst aan zonlicht waren blootgesteld) en de radiometrische ouderdomsbepaling (met Th-230/U-234) van zogeheten `flowstones' rondom botten of artefacten. Beide dateringsmethoden geven resultaten die overeenkomen met C-14 dateringen voor de ongeveer 40.000 jaar waarvoor die laatste methode goed toepasbaar is; deskundigen menen dat er geen reden is om aan te nemen dat de methoden voor een grotere ouderdom minder betrouwbare dateringen zouden opleveren.

Inmiddels zijn deze nieuwe methoden toegepast op Australische vondsten. Daarbij bleken de oudste artefacten een ouderdom te hebben van 56.000 (± 4000) jaar. Dat tijdstip mag dus worden gezien als het moment waarop mensen Australië binnenkwamen. Een team van Australische, Amerikaanse en Franse geologen en archeologen heeft nu ook de fossiele botten van de grote uitgestorven diergeslachten met deze methoden onderzocht (Science, 8 juni). Ze hebben er daarbij nauwkeurig op gelet dat het ging om resten die niet later nog eens zijn verplaatst (bijvoorbeeld door een rivier die oudere afzettingen erodeerde). Daarbij hebben ze op 28 locaties de meest recente ouderdom van botten bepaald; dat moet overeenkomen met het moment van uitsterven. Het resultaat was opvallend: alle onderzochte geslachten blijken zo'n 46.000 jaar geleden te zijn uitgestorven (met een 95 procent betrouwbaarheidsinterval van 51.000 tot 40.000 jaar).

Het uitsterven van de megafauna vond dus binnen geologisch gezien zeer korte tijd plaats. Het moment van uitsterven ligt ver (ca. 25.000 jaar) voor het tijdstip waarop het klimaat van betrekkelijk humide in droog veranderde; een klimaatsverandering kan dus niet als oorzaak worden aangemerkt. En, gezien de diverse dateringen, ligt het voor de hand dat de mens – in een tijdspanne die van 400 tot 10.000 jaar kan lopen – sterk heeft bijgedragen (en waarschijnlijk zelfs de oorzaak was) van het verdwijnen van de megafauna. Dat kan zijn gebeurd door jacht (waardoor ook roofdieren door een tekort aan prooi na verloop van tijd uitstierven) of door aantasting van het milieu (bijvoorbeeld door het afbranden van grote gebieden).