Servische premier valt niets te verwijten

Joegoslavië bevindt zich nog steeds in een revolutionaire fase. Daarom kon men zich niet veroorloven bij de uitlevering van Miloševic netjes de voorgeschreven rechtsweg te volgen, meent Thomas von der Dunk.

Soms werkt de wereld sneller dan het poldermodel, en soms snapt de wereld meer van doortastend handelen dan menig doorgewinterd deskundige in Den Haag. Dat was al zo vorig jaar toen het Servische volk eigenmachtig het parlement bestormde en zijn dictator verjoeg, terwijl de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken nog een bedaagder koers bepleitte. En dat was gisteren opnieuw gedeeltelijk zo, toen volkenrechtman Paul de Waart betreurde dat men in Belgrado niet keurig de constitutionele weg had bewandeld en hoofdschuddend de daardoor genomen risico's van commentaar voorzag.

Met zijn snelle coup de théâtre heeft de Westers georiënteerde Servische premier Djindjic in zijn machtsstrijd met de meer nationalistische krachten wezenlijk terrein gewonnen. Vanzelfsprekend speelt hij met zijn uitleveringsactie hoog spel. Maar soms is hoog spel nodig om zaken in de goede richting te forceren, en is het tegendeel voor het moment zèlf misschien wel risicoloos, maar voor de toekomst het grotere kwaad. Het voortdurend vooruitschuiven van beslissingen tot de wal het schip keert, geldt alleen in Nederland als vooruitziend beleid. Djindjic heeft nu voorkomen dat het nog door Miloševic zelf benoemde constitutionele hof alsnog met allerlei vertragingstactieken een stokje voor de uitlevering kon steken, en dan waren de rapen met het oog op de internationale positie van Joegoslavië pas goed gaar.

Ook binnenlands slaat Djindjic twee vliegen in één klap: Servië is van Miloševic verlost, zodat hij geen splijtzwam meer vormt en niet meer voor stoorzender kan spelen. Tot nu toe hing, zelfs nadat hij gevangen zat, zijn terugkeer in de politiek nog altijd als een mogelijkheid boven de markt, indien de huidige machthebbers niet binnen afzienbare tijd voldoende economisch resultaat zouden weten te boeken. Dat gevaar is nu verdwenen, en met Miloševic' verdwijning is ook zijn partij van haar samenbindend middelpunt beroofd. De laatste paar duizend aanhangers die nu nog de straat zijn opgegaan zullen zonder hem niet veel meer teweeg kunnen brengen. Vermoedelijk heeft ook Djindjic dat zo ingeschat toen hij met zijn beslissing president Koštunica passeerde. En dat laatste kan het tweede winstpunt worden: door mee te werken aan het Joegoslavië-tribunaal heeft hij een belangrijke slag in de machtsstrijd met Koštunica en diens meer nationalistische geestverwanten gewonnen, en daarmee heeft, als hij de komende dagen stand weet te houden, zijn Westerse koers dat binnen Servië met hem. Nu hij inderdaad de miljarden krijgt, waarvoor hij mede tot zijn bliksemactie besloten heeft, kan hij zijn interne gezag verder versterken als de man die zijn land weer in Europa heeft teruggebracht. Dat is ook voor Europa belangrijke winst.

Als deze vlieger opgaat, en Djindjic nu eventueel uitbrekende binnenlandse onrust met succes weet te bezweren – juist door het nu geopende betere toekomstperspectief – zou wel eens kunnen blijken dat het Westerse dreigement om de geldkraan dicht te houden toch niet zo'n slechte politiek is geweest. Dan is juist met deze uitruil van dollars voor een dictator, de afgelopen weken herhaaldelijk in de Nederlandse pers als oneigenlijk en onverstandig bekritiseerd, ook voor het Westen een tweeledig doel bereikt. Enerzijds versterking van het gezag van het Joegoslavië-tribunaal door de vetste vis in de fuik te vangen. En anderzijds versterkte binding van Joegoslavië aan het Westen, door het van de last van zijn eigen misdadigers te bevrijden in ruil voor een hoogst bruikbare zak geld in de handen van de voor het ogenblik, vanuit Westerse perspectief, best denkbare premier in Belgrado.

Natuurlijk was dit een zekere vorm van chantage, maar met chantage is in de internationale politiek, als het doel dat zij moet dienen te verantwoorden valt, soms niets mis. Waar in deze wereld onfatsoenlijke regimes nog zo sterk domineren, en slechts met macht iets te bereiken valt, is de officiële rechtsweg vaak vruchteloos. Wet en moraal dekken elkaar niet altijd, en in zwaarwegende gevallen kan het nodig zijn om ter wille van de geloofwaardigheid van het tweede van een strikte navolging van het eerste af te wijken. Dat is voor keurig in rechtsregels denkende juristen misschien moeilijk te verteren, maar soms kiest de politiek terecht haar eigen weg.

Het optreden van Djindjic dwars tegen de eigen wetgeving in is door een enkele Hilversumse studiogast ook bekritiseerd omdat daardoor bij de eigen bevolking de indruk post kon vatten dat de politiek boven de wet zou staan. Die constatering is als zodanig zeker juist, alleen bestaat die indruk bij de desbetreffende bevolking toch allang. Bovendien schiet men, als men in Belgrado te veel aan de vrees daarvoor zou toegeven, aldaar bij het hoognodige op orde brengen van de eigen maatschappij bijzonder weinig op.

Voor Nederland mag die redenatie schokkend zijn, in gewezen dictaturen, waar binnen veel instanties nog sterk de geest van het verleden heerst, kan men niet altijd braaf afwachten tot alle ambtelijke procedures conform de voorschriften zijn doorlopen. Daar wordt het oude recht veelal misbruikt door groeperingen die er alle belang bij hebben om te verhinderen dat de rechtsstaat ingang vinden kan. Daar moet men soms echt recht scheppen door het bestaande kromme recht te negeren. Zo'n fase waarin dat nodig is noemt men een revolutie, en in zo'n fase bevindt Joegoslavië zich nog steeds. Dan komt het erop aan dat de juiste personen met de juiste intenties op het juiste moment door doelgerichte actie de schaakstukken een fors eind in de goede richting weten te verschuiven. Pas als de oude ondemocratische structuren grotendeels overwonnen zijn, kan men zich de luxe veroorloven om steeds netjes de voorgeschreven rechtsweg te volgen.

In zekere zin geldt dat ook voor de bemoeienis van het Westen. Het moge in de ogen van de legaliteitsverslaafden een cynische conclusie zijn, maar het is niet anders: zolang het Westen zich, vanaf het uiteenvallen van Joegoslavië in 1991, aan de officiële regels hield, konden Miloševic en de zijnen hun gang gaan, en breidden de brandhaarden zich steeds verder uit. Het keerpunt kwam pas met Kosovo, toen de NAVO niet meer afwachtte tot men misschien in Moskou en Peking met ingrijpen akkoord zou gaan – daar zou men namelijk nooit met ingrijpen akkoord gaan – en tot militaire interventie besloot. Als gevolg van de misère en het isolement waarin Joegoslavië daarna kwam te verkeren, brokkelde Miloševic' positie in eigen land steeds verder af, met zijn val in oktober vorig jaar, zijn arrestatie in april en zijn overbrenging naar Den Haag gisternacht als uiteindelijk resultaat. Het is de bekroning van de nieuwe politieke koers die in maart 1999 werd ingezet.

Dat is geen slechte balans. Ook al is van vrede en voorspoed op de Balkan nog lang geen sprake, een van de belangrijke voorwaarden voor vooruitgang is door die trits gebeurtenissen bereikt. Met continuering van de pappen-en-nathoudenpolitiek van voordien was men beslist zo ver niet gekomen. Uiteraard is in dit opzicht voor de toekomst grote terughoudendheid geboden, en moet een dergelijk handelen buiten de VN om tot de uitzonderingen behoren. En uiteraard blijven er nog steeds allerlei risico's bestaan. Maar men kan brokken niet altijd het beste voorkomen door zo lang mogelijk elk risico te ontwijken. En de gebeurtenissen van de afgelopen twee jaar lijken er voorlopig eerder op te wijzen dat Clinton, Blair, Chirac en Schröder toen zij na Rambouillet eindelijk besloten om niet meer met Miloševic te praten, maar deze voortaan onverzoenlijk te bestrijden, in politiek opzicht inderdaad nog zo slecht niet hadden gegokt.

Thomas von der Dunk is cultuurhistoricus.