Rot en radeloos

Wie is er nog bang voor een politieke partij? Slechts een half procent van alle Nederlanders is actief lid. Politicoloog Jos de Beus signaleert dat het hart van de politiek rot is. Zijn opdracht: `Na GroenLinks en de ChristenUnie, moeten nu ook de middenpartijen zich wagen aan fuseringsgesprekken.'

In de Nederlandse politiek is men nooit eenzaam en alleen. Politici van verschillende partijen zijn voortdurend met elkaar in gesprek. Politiek en bestuur zijn vervlochten. Beleid wordt gestapeld op beleid. Zo groeit een behoedzame regeling van de belangen van alle burgers in gemeente, provincie of land. De ene politicus maakt beleid, de ander controleert het. Maar allen letten op de rust in hun achterban, de toon van het openbare debat, de stemming onder de kiezers, de opstelling van belangenorganisaties en actievoerders, de inbreng van ambtenaren en deskundigen, en de beeldvorming in de media. Het gevecht om politieke macht en bestuurlijke keuze is er nog wel, maar het wordt getemperd door talloze procedures en rituelen voor overleg.

Het hart van de politiek klopt dus op een ritme van behoedzaamheid, soepelheid en matigheid. Dat ritme is te herkennen in de Nederlandse traditie maar ook in de actualiteit, denk maar aan het totstandkomen van de nieuwe Belastingwet van Vermeend en Zalm en de Vreemdelingenwet van Cohen. Het politieke bestel van Nederland lijkt duurzaam te zijn en bij te dragen tot een redelijke graad van rechtsbescherming, rijkdom, geluksgevoel en trots in de delta.

Maar wie verwacht dat het gezag van een dergelijke politiek groter wordt, heeft het mis. Niemand heeft nog ontzag voor partijpolitiek en tegelijkertijd is de partijpolitiek bang voor iedereen. Nederlandse politici getroosten zich steeds meer inspanning om partijleden en kiezers aan zich te binden. Vooral de partijen in het midden zijn als de dood voor onverwachte krachten die de consensus verstoren: populistische uitdagers, referendumgroepen, opstandige beroepsgroepen, terreurbendes, radicale islamieten en jonge anarchisten met verstand van computers. Nog groter – en stiller – is de beduchtheid voor oude tegenspelers, zoals grote bedrijven, departementale kringen en lobby's. Nieuw is de vrees voor het uitdrukkelijk politieke optreden van rechters, commissarissen van politie, hoge ambtenaren, leden van de Europese Commissie, centrale bankiers, inspecteurs, toezichthouders, organisatieadviseurs, journalisten, columnisten en kapitaalkrachtige sponsors. Politici vrezen in feite dat de lichamen van de representatieve democratie kwaliteit en reputatie verliezen en uiteindelijk geen partij meer zijn voor welke private machthebber dan ook.

De burgerij toont van haar kant nogal wat onbehagen. Zij is niet tevreden met de massale arbeidsongeschiktheid, de slome inburgering van immigranten, de rommelige privatisering van nutsbedrijven, de opstopping van verkeer, en het doorgeschoten gedogen. Maar de partijpolitiek biedt de ontevredenen zoveel veto's, herkansingen en uitwegen, dat ze de politiek maar laten begaan, zonder vervreemding maar ook zonder geestdrift voor een culturele omwenteling. Velen volstaan met zelfvertegenwoordiging: een tijdelijk buurtcollectief, een stap naar de bestuursrechter, een stille mars of een `nee' in een plaatselijk referendum. Hoe moeten we deze merkwaardige wisselwerking tussen afhankelijke politici en vrije burgers begrijpen?

Er is iets vreemds aan de hand in Westerse democratieën. Aan de ene kant vereenzelvigen burgers zich steeds meer met de natiestaat, hebben ze waardering voor democratische beginselen en erkennen ze de prestaties van regeringen (denk aan de daling van de werkloosheid). Aan de andere kant groeit het misnoegen en ook wantrouwen tegenover officiële instanties, politieke leiders en medeburgers. Pessimisten leggen dat uit als een vlucht uit de democratie. Wie macht heeft, onttrekt zich aan de last van politieke controle en redelijkheid. De rest volgt. Optimisten denken dat we getuige zijn van de barensweeën van een nieuw soort democratie zonder grenzen. Alle omgang tussen overheid, maatschappelijke instellingen, belangenorganisaties en burgers begint horizontaal te worden.

Ik bepleit noch pessimisme, noch optimisme, maar een realisme. Er liggen evenveel democratische uitwegen in het verschiet als er bedreigingen zijn.De liberale democratie ondergaat een gedaantewisseling, die slechts ten dele maakbaar is.

De beste metafoor voor de huidige politiek is het theater. De partijleider verslaat mededingers in eigen huis en kneedt dan de partij tot haar of zijn voertuig. Het persoonlijk prestige, de bestuurlijke vaardigheid en het vriendelijke gezicht (aaibaarheid) van de leider en diens ploeg getrouwen zijn de voornaamste gereedschappen geworden bij het benaderen van de zwevende kiezer. De partijleider beschikt over een klein apparaat, tjokvol media-experts, verkiezingsdeskundigen, programmaschrijvers en specialisten inzake rekrutering, financiering, inzet van vrijwilligers en externe contacten. Het optreden van eigen ministers, volksvertegenwoordigers en kaderleden wordt streng geregisseerd.

De burger is een toeschouwer geworden die het doen en laten van leiders en andere partijpolitici in hun spel van samenwerking, strijd en rivaliteit in de gaten houdt. De burger praat over politiek, loopt naar de stembus en brengt boegeroep, applaus en zwijgen voort in een door de televisie beheerste publieke ruimte. Bij uitzondering en tijdelijk betreedt de burger zelf het politieke toneel. Hij is opgeleid, kwaliteitsbewust en nieuwsgierig naar de ontwikkeling van de samenleving. Woekert met de schaarse tijd en energie voor politieke bezigheden. En maakt rationeel gebruik van rechten en toegangskanalen.

De politieke partij vervult dus minder functies, terwijl de burger de overgebleven functies (selectie, afweging) beoordeelt met een neiging tot voorwaardelijk vertrouwen. Hoe ziet de wisselwerking eruit tussen zo'n smalle partij en een gereserveerde kiezer? Ik zie de volgende spelregels in de Nederlandse politiek in de huidige tijd.

De eerste zorg van smalle partijen is de bescherming van de massa individuen. Mobilisatie tegen een alles ondermijnende misstand of een existentiële vijand is uit. Het massa-experiment is uit. Het kiezersvolk is gewend aan een hoge standaard van bescherming en aan de traagheid van overheidsingrijpen. Het is afkerig van bemoeizuchtig bestuur. Het ziet hoogstens in bange dagen nog iets in centrale leiding en moreel leiderschap. De eis van stabiliteit maakt het onwaarschijnlijk dat radicalen worden gekozen. Ook is het onwaarschijnlijk dat hervormingsgezinde bestuurders een eendrachtige toekomstvisie, een sociaal ideaal of een groots ontwerp zullen verwezenlijken.

Een regering van smalle partijen deelt de macht met maatschappelijke machten – en niet alleen met de wetgevende en de rechterlijke macht (de trias politica). Het centrum van de politiek wordt uitgebreid met ambtenaren, georganiseerde belangen, massamedia en de publieke opinie. Het nieuwe centrum is een web. De grenzen tussen debat, besluitvorming en uitvoering vervagen. Het gezag van de politiek staat of valt bij haar wil om het lopend beleid steeds opnieuw uit te leggen en bij te stellen zonder daarbij de eenheid van partij, coalitie en koers prijs te geven. Dit impliceert een neiging tot beheersing die soms obsessioneel wordt. Denk aan het strakke, gedetailleerde Nederlandse regeerakkoord, het overleg in Thorbecke's torentje en aan de Britse premier Blair die de naam heeft een control freak te zijn. Het betekent ook een terugtreden van het parlement en het partijkader. Het is vaak nuttig om eerst de lof te oogsten van veel bekeken televisieprogramma's en grote kranten en pas daarna met deze steun in de rug een confrontatie met de volksvertegenwoordiging aan te gaan. Continue campagne is de geschiktste methode voor de partijleiding om niet de speelbal te worden van agendering door media, wisselende gemoedstoestanden van het grote publiek en tegenstand via lobby, internet of demonstratie. Met behulp van nieuwe campagnetechnieken, zoals de focusgroep, tast de smalle partij af welke voorstellen populair zijn en welke niet.

De conflicten veranderen van karakter. Ze draaien niet meer om klassen en standen, of om religies en regio's. De nieuwe conflicten zijn constitutioneel: ze splijten vrijwel elke burger in zichzelf en de individuele rede komt bovendien in strijd met de collectieve rede, zoals bij geschillen omtrent milieubehoud en gezinswaarden. De burger wil een auto én een schoner milieu, prestatiebeloning én een aanpak van de onderklasse, een jeugdcultuur én overheidszorg voor de oudsten, ontspanning én veilige uitgaansgelegenheden, nationale justitie en politie én doeltreffende Europese afstemming, humanitarisme én beheersing van de kosten van militaire interventie en van gastvrijheid voor de verworpenen der aarde.

Zestien miljoen gespleten individualisten zijn veel moeilijker te representeren dan twee klassen of drie zuilen. De derde spelregel luidt dan ook dat smalle partijen de meeste conflictstof waarnemen als constitutionele kwesties en die kwesties bij stukjes en beetjes regelen door conflictmijding. Er is geen eenmalig grondwettelijk moment meer maar een eeuwig proces van verbouwing van het schip van staat in volle zee. De heerschappij van de meerderheid of de minderheid maakt plaats voor een heerschappij van iedereen en niemand.

Ten slotte zijn er ook terugkerende vragen en onzekerheden van publieke aard. Deze geven aanleiding tot kleine crises in delen van de publieke sector, zoals de sociale verzekeringen, de misdaadbestrijding, de vredesmissie, de energievoorziening, en de landbouw en veehouderij. Politiek vereenvoudigt de bindende gemeenschappelijke keuze niet langer. Politiek bereidt evenmin voor op een alles omvattende crisis van de beschaving. Omdat de politiek minder daadkracht toont dan vroeger dreigt echter het gevaar van stagnatie. Dit gevaar wordt bedwongen door reflexief crisisbewustzijn. Een leger van experts wordt eindeloos geconsulteerd. Tijdige signalering is het devies. Door een rampenscenario ernstig te nemen, ondermijnt de voorspelling van de ramp zichzelf. Denk maar aan discussie over pensioenen en arbeidsmigranten in de Europese Unie.

De genoemde spelregels kwamen aan de oppervlakte in de kabinetten-Kok I en II. Men zou kunnen zeggen dat de compromispolitiek van onderop uit de 20ste eeuw verdwijnt, en wel door haar succes, niet door haar mislukking. Zij keert nochtans niet terug omdat politici denken dat de klassenstrijd en de godsdienststrijd voorbij zijn. Zij kan evenmin overgaan in een revitalisering van het beschavingsoffensief van bovenaf omdat politici denken dat een dergelijke politiek 19de-eeuws is en te simpel: een aanvallende sociaal-liberale staat kan niet meer werken of werkt averechts of maakt het monster van nationalisme wakker. Blijft dus over de organische consensus tussen politiek en samenleving van de toeschouwersdemocratie. Ofwel de dwang van het woord in plaats van de dwang van de wet.

De opkomst van de toeschouwersdemocratie is te zien als een improvisatie tegen de kloof tussen de werkelijkheid van politieke betekenisloosheid en het ideaal van democratisch zelfbestuur. Alle partijen verwerpen de suggestie van een politiek schouwspel onder de opportunistische regie van partijleiders. Maar ze erkennen wel dat de ontwikkeling in de richting van campagnepartijen iets onvermijdelijks heeft. Hoe moet de onrijpe en instabiele toeschouwersdemocratie nu worden beoordeeld, gezien de verwarring en verdeeldheid onder haar deelnemers?

Het is aan te tonen dat dit bestel werkt, dat het soms verbazend goed werkt, dat het voldoet aan de eis van minimale democratie en dat het herkenbaar is in de ogen van Nederlanders. Maar er zijn enkele gebreken en gevaren die nopen tot een herformulering van het primaat van politiek.

De smalle politieke partijen bemoeien zich met alles wat risico heet. Ze hebben onvoldoende kracht om te verhinderen dat de bemoeizucht als een vijandige overname wordt beleefd. Het gevolg is enerzijds dat de partijpolitieke wetgever andere machthebbers inschakelt om hem bij te staan en anderzijds dat deze machthebbers in verzet komen tegen de opdringerige wetgever. Er komt een tweezijdige communicatie op gang, maar zelfs dat is niet genoeg om de smalle politicus geloofwaardig te maken. Na verloop van tijd worden verfijnde afspraken gemaakt om de verhouding te bepalen tussen de traditionele politiek der gekozenen en de nieuwe politiek der ongekozenen. Den Haag komt voortaan overal te liggen waar maar sprake is van beleid. De werking van het politieke bestel gaat daardoor parasiteren op het verwachte succes van het economische systeem (Europese exporteurs), het juridische systeem (rechters in de euthanasie), het medische systeem (artsen in de arbeidsongeschiktheidswetgeving). Het resultaat is een hybride geheel van netwerken waarin het formele politieke gezag geen macht heeft en de informele macht geen politiek gezag heeft. De Nederlandse politiek functioneert als een zelfgeschapen god: zij beïnvloedt alles maar determineert niks.

Er zijn meer bezwaren. De toeschouwersdemocratie vertoont een democratisch tekort. En een moreel tekort: omdat stroperige consensus een tweede natuur is, en er zoveel uitlaatkleppen zijn voor zelfs de kleinst denkbare minderheid, wordt het openbaar bestuur slapper terwijl de collectieve actie ten behoeve van constitutionele vernieuwing niet van de grond komt.

Alles overziende, acht ik het wenselijk dat het begrip beleid wordt afgeschaft. Dat symbool is leeg en geeft schijnrust. Er dient in Nederland een ontvlechting te worden aangebracht tussen politiek en bestuur. Het is óf het een, óf het ander. Iemand maakt politieke keuzen, of hij voert uit. De democratische confrontatie tussen representatieve delen van de bevolking moet worden aangemoegdigd. De integrale afweging van belangen dient te worden versterkt tegen de heersende versplintering in. Om te beginnen stel ik voor dat het zelfbeeld van Nederland als politieke gemeenschap meer aandacht krijgt.

Vervolg op pagina Z2 (32)

Politiek

Vervolg van pagina Z1 (31)

Er wordt door zowel tevreden als kritische deelnemers en waarnemers van de toeschouwersdemocratie gezegd dat de grote tegenstellingen vandaag overwonnen zijn. Nederland heeft zijn oude pluralisme eindelijk begraven, nu alleen nog zijn particularisme (,,hokjes- en schotjesgeest'', ,,kleinschalig is mooi''). Wie dat zegt, heeft de plicht aan te geven wat Nederlanders verbindt en welke eenheid door politiek en democratie wordt gesmeed. In vrijwel alle recente discussies (over Europa, asielzoekers, opvoeding, het stedelijk domein, en wat al niet) was het patroon dat betrokken burgers erover praten en alle kanten uitwaaieren; politici onder aanvoering van de premiers Lubbers en Kok over de onzekerheid heen praten om sneller terzake te komen. Beiden werden daardoor in verlegenheid gebracht.

Ik stel voor dat de grote politieke stromingen hun eigen begrip van gemeenschap onder woorden brengen te midden van de dagelijkse uitbarsting van buiten- en binnenlands nieuws. Op die manier kan de bestaansreden van de Nederlandse politiek worden aangetoond, kan de toegevoegde waarde van de Nederlandse democratie worden verwezenlijkt, en kan de bestuurlijke puinhoop in allerlei sectoren worden geruimd.

Ik voeg hieraan toe dat oude tegenstellingen ten onrechte worden verhuld (arbeid tegenover kapitaal, de antithese, de strijd der seksen, regionale ongelijkheden) terwijl nieuwe tegenstellingen worden geblokkeerd (de meerderheidscultuur versus de etnische minderheidscultuur, marktdenken of leefbaarheidsdenken). Wie deze kritiek op de harmonie van het poldermodel naar voren brengt, heeft de plicht om de differentiatie van politieke partijen en sociale bewegingen langs deze lijnen te bespoedigen, en dan aan te geven hoe op den duur een radicale democratische schikking kan worden afgedwongen. Algemeen gesproken, geven de sociale ontworteling van de partijen en hun programmatische toenadering aanleiding tot een herverkaveling en vermindering van de partijformaties. Na GroenLinks en de ChristenUnie, zouden thans ook de middenpartijen zich moeten wagen aan fuseringsgesprekken. Op de korte termijn leidt dit tot een rommelige herallocatie van bekende politici en de entree van onbekende politici. Op de lange termijn ontstaat er in het midden nieuwe duidelijkheid en nieuw vermogen tot mobilisatie.

Het hart van de Nederlandse politiek is rot. We zouden een operatie moeten willen. Want ik zeg het wijlen Judith Shklar na: er zijn geen eindes in de politiek, hoogstens pauzes.

Dit is een verkorte weergave van de rede die politicoloog Jos de Beus gisteren hield tijdens zijn inauguratie als hoogleraar politieke theorie aan de Universi- teit van Amsterdam.

De volledige tekst is te lezen op www.nrc.nl/denhaag.