Regeling oorlogskunst versoepeld

De regering zal een ruimhartiger beleid voeren bij de teruggave van oorlogskunst. Dit heeft het kabinet gisteren besloten. Een onafhankelijke commissie zal alle claims op kunstwerken beoordelen en hierover advies uitbrengen aan de staatssecretaris van Cultuur.

De aanbevelingen van de commissie Ekkart om het beleid te versoepelen, worden door de regering grotendeels overgenomen. De commissie Ekkart begeleidt in opdracht van het ministerie van OCenW het onderzoek naar de herkomst van kunstvoorwerpen die in de oorlog naar Duitsland werden gevoerd, na de bevrijding werden gerecupereerd en vervolgens in het bezit kwamen van het rijk. In een reeks aanbevelingen, die in april werden gedaan, maakte de commissie duidelijk dat de Nederlandse staat meer oorlogskunst moet teruggeven dan tot dusver is gebeurd.

De commissie Ekkart bestempelde het beleid van de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK), die na de oorlog belast was met de teruggave van gerecupereerde kunstwerken, als formalistisch en harteloos. Daarom bepleitte de commissie de mogelijkheid om claims die door de SNK werden afgewezen opnieuw in behandeling te nemen. Tot nu werden alleen claims behandeld als die niet eerder waren ingediend of wanneer er sprake was van belangrijke, nieuwe gegevens. De commissie vindt dat dit moet veranderen en dat claims alleen nog maar getoetst moeten worden aan rechterlijke uitspraken van kort na de oorlog of aan formele schikkingen met de Nederlandse Staat. De houding van de rechter was destijds bij teruggaves veel `milder' dan die van de SNK, aldus de commissie en de beslissingen van de SNK moeten dan ook geen invloed hebben op het beleid nu.

De regering schaart zich achter deze aanbeveling, maar maakt er de kanttekening bij dat claimanten die destijds expliciet afzagen van hun aanspraken op gerecupereerde kunstwerken hier niet meer op kunnen terugkomen. Dit geldt ook voor claims waarbij `weloverwogen' een schikking werd getroffen.

Ook op andere punten wordt het teruggavebeleid verruimd volgens de richtlijnen van de commissie Ekkart. Een van de voorwaarden voor teruggave van oorlogskunst was het `onvrijwillig bezitsverlies'. Omdat joden hun kunst vaak onder druk der omstandigheden verkochten, zullen alle verkopen door joden tijdens de oorlog `in principe' beschouwd worden als onvrijwillig. Bovendien zullen zij het geld dat ze bij de verkoop ontvingen alleen hoeven terug te betalen als zij dit ter vrije beschikking kregen. Bij onduidelijkheid hierover moet de claimant het voordeel van de twijfel worden gegund. Als niet bewezen kan worden dat een kunstwerk iemands eigendom was, is teruggave toch mogelijk mits `het eigendomsrecht in hoge mate aannemelijk is gemaakt'.

Over enkele aanbevelingen wil de regering nog advies inwinnen. De commissie Ekkart stelde dat verkopen van kunstwerken door joden in Duitsland al vanaf 1933 en in Oostenrijk vanaf 1938 als onvrijwillig moeten worden beschouwd. De regering zal de implicaties van dit standpunt eerst laten bestuderen voordat hierover een beleid wordt vastgesteld.

De voorzitter van het Centraal Joods Overleg, Rob Wurms, noemt het `belachelijk' dat de regering deze aanbeveling niet zonder meer overneemt. Verder is hij `zeer tevreden' over het nieuwe teruggavebeleid.