Openheid en licht rumoer

De New York Public Library is een instituut, een bibliotheek met een missie die tot op de dag van vandaag serieus wordt genomen: `A free library for the use of the people'.

Een jonge Russische emigrant was de eerste in de New York Public Library die een boek aanvroeg en kreeg overhandigd: een Russischtalige studie naar Nietzsche en Tolstoj. Het moet een klein half uurtje zijn geweest nadat de bibliotheek haar deuren aan Fifth Avenue officieel had geopend: op 24 mei 1911. De lezer en zijn boek zijn typerend voor de unieke bibliotheek en haar geschiedenis – nauw verbonden met die van de stad en haar veelkleurige bevolking.

De Public Library is gehuisvest in een imposant gebouw in Beaux Arts stijl in het midden van Manhattan. Ze heeft zich ontwikkeld tot één van de grootste openbare bibliotheken ter wereld, met 85 locaties verspreid over Manhattan, The Bronx en Staten Island. Tezelfdertijd herbergt ze één van de belangrijkste wetenschappelijke verzamelingen ter wereld, met name op het gebied van de humaniora. Tien miljoen mensen lopen er jaarlijks binnen. Iedere vreemdeling, fris van Kennedy Airport, heeft binnen twintig minuten zijn eerste boek in handen. Een al honderd jaar vrijwel onveranderd systeem van pneumatische buizen, waarmee bestelbriefjes in kokers heen en weer worden geblazen, en kleine liften waarop de boeken naar boven worden gebracht, werkt nog altijd prima. Het is de combinatie van openheid en geleerdheid, van licht rumoer en gewijde stilte die de Public Library haar unieke karakter geeft.

Twintig enorme kroonluchters, prachtige plafondschilderingen, lange donkere eikenhouten tafels en zicht op de toppen van de mooiste wolkenkrabbers van Midtown Manhattan – de grote leeszaal van de New York Public Library laat zich moeilijk evenaren. Wekenlang heb ik er doorgebracht, met mijn neus in de boeken en brochures die een kleine eeuw eerder door Oost-Europese joden naar de Nieuwe Wereld zijn meegenomen. De leeszaal is onlangs in haar oude luister hersteld. Daar was een forse donatie voor nodig. Frederick Rose, een projectontwikkelaar wiens echtgenote in de board of trustees van de bibliotheek zit, betaalde de verbouwing. De leeszaal heet nu dan ook officieel de Deborah, Jonathan F.P., Samuel Priest, and Adam Raphael Rose Main Reading Room, naar de vier kindertjes van het echtpaar Rose. Het blijft Amerika.

Teruggegeven

De bibliotheek grenst aan het Bryant Park. Tot voor tien jaar terug was het park het domein van junkies, dealers en dieven, een typische no-go area in het hartje van Manhattan. Nu is het, zoals Amerikanen dat zo mooi zeggen, `aan de mensen teruggegeven'. Het typeert de opbloei van de stad en de bibliotheek. ``Het afgelopen decennium is de situatie aanzienlijk verbeterd'', vertelt Michael Zavelle, Senior Vice President for Administration, Finance and Business Affairs. ``Onze positie in New York is ijzersterk. Toen de inwoners van Manhattan onlangs werd gevraagd welke openbare instelling ze het meest waardeerden, kwam de bibliotheek op de eerste plaats, nog voor de brandweer dus. Vooral de openbare bibliotheken worden belangrijk gevonden. Ze hebben altijd een essentiële bijdrage geleverd aan de verspreiding van de Engelse taal onder nieuwkomers. Ze zijn de enige plek op dit moment waar mensen gratis toegang tot het internet hebben. De gemeente en de stad geloven in de missie van de bibliotheek.''

Zavelle is het stereotype van de Amerikaanse bestuurder: licht op leeftijd, in een grijs streepjespak, bril van tien jaar terug, voorkomend en zelfverzekerd. Zavelle gaat over het geld. Aangezien de Public Library voor een derde van haar inkomsten afhankelijk is van de private sector (bedrijven, grote fondsen en particulieren) moet ze ieder jaar zo'n 60 à 70 miljoen dollar uit de markt zien te halen. ``Dat is een enorme opgave'', aldus Zavelle. ``Vooral de wetenschappelijke collecties zijn een probleem. Het gemeentebestuur is om politiek redenen met name in de buurtbibliotheken geïnteresseerd, zodat onze wetenschappelijke collecties grotendeels uit particuliere middelen moeten worden bekostigd.''

De Public Library bezit niet alleen de originele Winnie-the-Pooh, de eerste Gutenberg bijbel die Amerika haalde en Jeffersons kopie van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring maar ook een aantal fameuze collecties, waarvan ontstaan en ontwikkeling nauw zijn verbonden met de belangrijkste bevolkingsgroepen in de stad. Vooral de Slavische en joodse afdelingen zijn in trek bij onderzoekers van over de gehele wereld. ``Ik denk dat we tot de belangrijkste bibliotheken in de Judaica behoren'', zegt Michael Terry, hoofd van de joodse afdeling. In zijn bruine pak, met een gelaat wat wel wat meer zonlicht zou kunnen hebben, vertelt Terry begeesterd en in hoog tempo over de bibliotheek die hij pas sinds kort runt. ``De Slavische en de joodse bibliotheken stammen uit het laatste decennium van de negentiende eeuw. Russen en joden behoorden tot de belangrijkste, dikwijls overlappende immigrantengroepen. De joodse bibliotheek, die een samenvoeging is van een aantal kleine buurtbibliotheekjes, is vanaf het begin nauw verbonden geweest met de joodse bevolking zelf, met haar talen, haar cultuur en literatuur. Uptown joden zagen de bibliotheek als het symbool van hun vooruitgang, hun assimilatie'', aldus Terry. ``De Haskilim beschouwden haar als een instrument van Verlichting, onderwijs en vooruitgang. De bibliotheek was een verzamelplaats voor joodse intellectuelen. Het was de rumoerigste zaal van de gehele bibliotheek. De monumentale Jewish Encyclopedia is er samengesteld. De bibliotheek verschafte joden een gevoel van culturele verbondenheid, van gemeenschapszin.''

De joodse bibliotheek was er aanvankelijk vooral voor de arme joden van de Lower East Side, het deel van New York waar vrijwel alle Europese joden hun nieuwe leven begonnen. Ze vonden in de bibliotheek niet alleen de boeken, maar ook de rust, de ruimte, het licht en de warmte die ze thuis misten. ``Het was een fijne, warme en schone plek'', herinnerde de auteur en muziekmaker E.Y. `Yip' Harburg zich. ``En er waren van die heerlijke bibliothecaressen, met blond haar en blauwe ogen en elegante accenten.'' De aantrekkingskracht was wederzijds. Eén van die `heerlijke' bibliothecaressen schreef in 1910: ``toch begrijp ik de psychologie van het geheel niet goed; om dag na dag, iedere keer weer, vaak urenlang achtereen te wachten om één of ander speciaal boek te pakken te krijgen – en dat bij de eerste de beste gelegenheid weer te doen.''

Oost-Europa

Jiddisch was de taal van de joodse massa's in New York. Jiddisch was ook de taal die een flink deel van de verlichte en intellectuele joden het liefst van de planken van de bibliotheek had verwijderd. Wie vandaag de dag de catalogus van de joodse afdeling raadpleegt, staat versteld van de enorme hoeveelheid materiaal uit Europa, vooral Oost-Europa, zowel in het Jiddisch, de `taal van het getto', als in de talen van de landen zelf. Ik heb onderzoek gedaan naar de relatie tussen joden en communisme in oostelijk Europa in bibliotheken en archieven van Moskou en Jeruzalem tot Stanford, maar nergens vond ik zoveel materiaal als in New York. Na de Tweede Wereldoorlog is de stad het centrum geworden van het onderzoek naar de geschiedenis van de Ostjuden. Het YIVO (Institute for Jewish Research), waarvan de collectie in het Interbellum in Litouwen is opgebouwd, in de oorlog door de Duitsers gedeeltelijk in beslag werd genomen en na '45 door het Amerikaanse leger naar de Verenigde Staten is versleept, en de Public Library herbergen de belangrijkste collecties. Michael Terry: ``Het acquisitiebeleid van de joodse afdeling is altijd eenvoudig geweest: alles wat joods is, is interessant, maar vooral de joodse sociale en culturele geschiedenis, het dagelijks leven.''

Hoewel de bibliotheek een aanzienlijk deel van haar verzameling, vooral Europese judaica, heeft verkregen uit erfenissen en schenkingen, benadrukt Terry dat nieuwe aanwinsten toch vooral worden gekocht. ``Juist omdat we een publieke bibliotheek zijn, zijn mensen niet snel meer geneigd om ons iets na te laten. Ze vinden waarschijnlijk dat de overheid maar moet betalen. We concurreren dus op een vrije markt met al die andere joodse bibliotheken, in Jeruzalem, in Amsterdam en elders.'' Pas na enige aarzeling wil Terry vertellen hoeveel geld hij tot zijn beschikking heeft: ``Te weinig natuurlijk, maar dat geldt voor alle bibliotheken. Het gaat om een paar honderdduizend dollar per jaar.''

De NYPL staat, net als andere bibliotheken, voor grote veranderingen. Digitalisering is het stopwoord. Het omzetten in elektronische vorm van catalogi en van zeldzaam of kwetsbaar materiaal kan de toegankelijkheid van bibliotheken aanzienlijk vergroten en zou het ideale alternatief zijn voor de vermaledijde microfilm. Al voordat de Amerikaan Nicholson Baker zijn aanklacht publiceerde tegen de neiging van veel bibliothecarissen om kranten en tijdschriften op film te zetten en de originelen van de hand te doen (Double Fold. Libraries and the assault on Paper. Random House, 2001) wist de gemiddelde onderzoeker al hoe onaangenaam steriel en slecht voor de ogen het doornemen van die eindeloze films kan zijn. ``Als het even kan'', aldus Zavelle, ``bewaren we onze kranten en tijdschriften in hun originele vorm. We kampen dus als iedereen met enorm ruimtegebrek. Er komen ieder jaar zo'n 100.000 items bij. We hebben daarom samen met Princeton en Columbia University de bouw van een grote dependance gepland om materiaal op te slaan dat weinig wordt geraadpleegd, buiten de stad, in New Jersey, maar elektronisch toegankelijk en met korte levertijden.''

Digitalisering is één van de prioriteiten van de bibliotheek, verzekert Zavelle. Er wordt een paar miljoen dollar per jaar aan besteed. Maar hoeveel geld er ook beschikbaar is, het zal altijd te weinig zijn, zelfs voor de NYPL. Wat komt er wel en wat komt er niet voor digitalisering in aanmerking? Zavelle kijkt een beetje zuur. ``Degene die betaalt heeft een belangrijke stem in het geheel. Geldschieters hebben een grote invloed op de keuzes die we maken. Daarnaast hebben we afspraken over taakverdeling gemaakt met andere grote bibliotheken in de Verenigde Staten, met name de Library of Congress in Washington. Voor zover we vrij zijn in ons beleid, geven we de voorkeur aan het digitaliseren van images zoals foto's en prenten en van belangrijke, dikwijls geraadpleegde publicaties.'' Michael Terry van de Joodse Afdeling valt Zavelle bij. ``Wij hebben enkele bijzonder delen van onze bibliotheek die veel gevraagd worden gedigitaliseerd, met name de oral history collection uit de jaren zeventig en tachtig: interviews met 2500 bekende en onbekende joden over het vroege joodse leven in New York. Ze staan op band, op papier, en dus nu ook op het net.''

``Voor de wetenschappelijke onderzoeker zal er voorlopig niet veel veranderen'', meent Zavelle. ``Hij is op zoek naar die publicatie waarvan er nog maar één of twee exemplaren zijn, en zeldzame of zelden geraadpleegde stukken laten we voorlopig voor wat ze zijn. Het is beter die ene buitenlandse geleerde die er in is geïnteresseerd een vliegticket naar New York te geven dan het spul in elektronische vorm om te zetten'', oppert Zavelle. ``Dat is aanzienlijk goedkoper voor de bibliotheek en een stuk leuker voor de onderzoeker.''