Column

Lekke band

Onderweg naar Rome kreeg ik een lekke band. Zo'n echte flardenband. Rubberstank en ratelende herrie. Vluchtstrook, krik, langsrazende vrachtwagens, het vaste ritueel.

Leek me niet handig om zonder reserveband verder te gaan, dus bij Florence de weg af. Vragen, nog een keer vragen, nog een keer en nog een keer en uiteindelijk kwam ik in een desolate buitenwijk. Ik ken Florence, heb er jaren geleden een dag of wat doorheen gedoold en was toen totaal verpletterd. In mijn hoofd heeft Florence geen treurige buitenwijken met stinkende autospuiterijtjes, vage uitdeukers en droeve autobandencentra. Florence is de Campanille, de Duomo, het Museo dell'Opera en natuurlijk de Ponte Vecchio. Maar dat is dus maar een heel klein deel. Voor ik het wist stond mijn auto op drie wielen, kwam ik met de man een prijs overeen en werd er bij een filiaal een band gehaald. Binnen tien minuten zou die er zijn. En daar ging het mis. De band kwam niet. Steeds als ik vroeg hoe lang het nog duurde, zei hij dat de band elk moment kon arriveren. Ondertussen stond ik in een hitte van bijna veertig graden te kijken naar jongens die zich in het zoute zweet stonden te werken. Banden verwisselen. Wat een eentonig rotwerk. Eigenlijk zou dat beter betaald moeten worden dan voorzitter van de raad van bestuur van een of andere grote bank of multinational. Het besturen van zo'n bedrijf is leuk, je dineert in sterrententen, wordt rondgereden door een chauffeur, slaapt in Amstelachtige hotels en vliegt de hele wereld over, terwijl deze jongens rotwerk doen en hun wijkje amper uitkomen. Ik weet dat mijn theorie niet klopt, dus bespaar me de ingezonden brieven.

Drie uur mocht ik wachten en zag er de hand van God in. God wilde dat ik keek. God wilde dat ik heel goed keek. Zij wilde dat ik, luxebeest bij uitstek, zag dat dit soort werk in een temperatuur van veertig graden, ook gedaan moest worden. Ik schrijf, fladder langs theaters, dwarrel langs hotels en woon prachtig. Alles is superdeluxe voor mij geregeld. Ik zie dit soort werk bijna nooit en zeker geen drie uur achter elkaar. Ik bleef vriendelijk en kalm, wandelde langs de smerige autospuiterijtjes, waarvan de lucht een paar minuten al niet te harden is, laat staan dat je dit jaren lang hele dagen moet inademen. Aan de rand van de wijk stonden een paar woontorens om een treurig parkje heen. In het parkje zaten moeders met kinderen. Het woord moeder komt van moe. De een was nog moeder dan de ander. Jong en moe. Chronisch moe.

Uiteindelijk werd de band afgeleverd en was de klus snel geklaard. Op naar de heuvels vlak boven Rome. Door wegwerkzaamheden stond ik nog een uur stil en zag een hele ploeg mannen in dezelfde hitte met kokend asfalt aan de gang. ,,Kijken'', fluisterde God, ,,goed kijken en nooit meer zeuren.'' Onderhand vroeg ik me zachtjes af of deze ploeteraars net als onze leraren om de zoveel jaar een paar maanden doorbetaald opfrisverlof krijgen? Ik denk het niet.

Vier uur later dan gepland kwam ik bij het huis, waar ik tot half augustus zal vertoeven. Mooi weer, zwembadje, stapel boeken en heel veel mooie steden om me heen. Vrouw en kinderen volgen binnen een paar weken. Vakantie houden heet dat. Uitrusten. Uitrusten van wat? Ik ben namelijk niet moe. Ik werk nooit. Ik speel.

Dit stukje schrijf ik om zeven uur 's ochtends in de tuin. Vogels fluiten, hanen kraaien, koeien bellen en er hangt een zilveren mist tussen de Sabijnse heuvels. Over twee uur scharrel ik door Rome en weet al bij welk tentje ik met twee vrienden ga lunchen. Dan gaan we drinken op de grauwe kantoorklerken, die op dit moment en de komende tien jaar bij Purmerend in de file staan.

Ik inhaleer de zuivere buitenlucht en vraag me oprecht af: Hoeveel geluk kan een mens verdragen? Of ik nooit eens pech heb? Jawel hoor, drie dagen geleden nog. Een lekke band, vlak voor Florence en toen heb ik wel drie uur op de juiste band moeten wachten.