Leiden en Nyenrode

Ds. Ter Linden krijgt onvoorwaardelijk steun van de auteur van het `Atheïstisch Manifest' – zie het grote artikel van prof. Herman Philipse in de krant van 23 juni. In de opvatting van de hofpredikant blijft nog maar zó weinig over van Pasen, dat hij een van Nederlands meest agressieve atheïsten aan zijn kant krijgt, iemand die een feestelijke diesrede vervuilt met de kwalificatie ,,potsierlijk'' voor officiële opvattingen van de katholieke kerk. Misschien moeten we maar erkentelijk zijn dat de kaarten daarmee duidelijk op tafel liggen.

Wat mij vooral opviel aan de Leidse bek van Philipse was de poging om intellectuele tegenstanders a priori buitenspel te fluiten. De filosoof meent traditionele opvattingen over Pasen te kunnen bestrijden met de retorische vraag of een econoom wel het recht heeft om over de grens van het eigen vakgebied te kijken. Wat Philipse zelf mag – zijn diesrede in Leiden ging over astronomie, wiskunde, natuurkunde, scheikunde, biologie, psychologie, taalkunde en theologie – gunt hij anderen niet. Die moeten van zijn wijsbegeerte afblijven.

Zo'n brahmaanse kastehouding – de schaduw van een buitenstaander mag niet op mijn pad vallen – kan gauw krampachtig overkomen. De overstap van zuivere wiskunde in Leiden naar economie in Rotterdam en nu in Nyenrode heeft mij dat wel geleerd. Aan de Erasmus Universiteit besefte ik al snel dat iedereen recht heeft op een mening over werkloosheid of inflatie en dat van een respectvol debat ook de specialist wijzer kan worden. Collega prof. Tinbergen was daar het grote voorbeeld van openheid in de discussie. Ik heb Tinbergen – noem me toch gewoon Jan – nooit een gezagsargument horen hanteren, hoewel hij echt een stuk knapper was dan zijn collega's.

Omdat de minachting van Philipse voor mijn persoon en werk moeilijk valt te pareren, merk ik met verschuldigd respect op dat mijn kritiek op de achttiende-eeuwse filosoof David Hume zorgvuldig was geparafraseerd uit het werk van Richard Swinburne – hoogleraar filosofie in Oxford (zie The Coherence of Theism en ook zijn bijdrage aan de bundel The Resurrection, beide bij Oxford University Press). Hume streept verhalen over wonderen weg tegen het decor van de onveranderlijke wetten van de natuur. Swinburne merkt op dat daar de overweging bij moet dat als er een God zou bestaan, die God misschien bij speciale gelegenheden zou willen interveniëren in de natuur (zoals ook liefhebbende ouders niet altijd dezelfde starre regels hanteren bij het opvoeden van hun kinderen). Tegen die dubbele achtergrond hebben de getuigenissen van wonderen niet langer automatisch een plausibiliteit van nul, zoals Hume en Philipse ten onrechte volhouden. Bovendien citeert Philipse mij op een cruciaal punt verkeerd: de bijbel bevat ,,aanwijzingen'' dat op Pasen een wonder plaatsvond, schreef ik, en natuurlijk niet ,,voldoende bewijzen'', zoals hij mij malicieus in de mond legt, om dat daarna omstandig te weerleggen.

Philipse kiest er voor om de helft van zijn artikel kritiekloos aan David Hume te wijden; wat mij betreft houd ik nog even vast aan het recht van ieder denkend mens om niet alles van Hume over te nemen. Neem bijvoorbeeld diens definitie dat een mens vrij is wanneer hij doet wat hij wil, ook wanneer dat is bepaald door de scheikundige reacties in zijn hersenen of door de opvoeding. Te oordelen naar het enthousiasme van Philipse over de psychofysica is hij het ook daarmee eens, maar wij economen op Nyenrode definiëren `vrijheid' niet zo chemisch. Onze studenten krijgen een verplicht vak over ethiek in de economie en de omschrijving van `vrijheid' laat wel degelijk ruimte voor oordelen als `goed' en `slecht'.

Leiden is zich ervan bewust ouder en beroemder te zijn dan Nyenrode, hoewel je dat niet zou opmaken uit de prijsstelling voor de colleges. Dan zijn wij de Mercedes onder de universiteiten en is Leiden maar een goedkope Lada. Precies wegens die verschillen droom ik wel eens van een gelukkig huwelijk tussen de twee universiteiten. Nu ook in Utrecht een opleiding economie is begonnen, met meteen een paar honderd studenten in het eerste jaar, blijft Leiden achter als enige universiteit zonder een faculteit voor economie of bedrijfskunde. De grote rechtenfaculteit kan dus niet behoorlijk `law and economics' aanbieden, en heeft moeite in de concurrentie met Rotterdam en Tilburg, waar rechtenstudenten leren om de balans van een onderneming te lezen en fusies en overnames te analyseren. Laat nu Nyenrode, totdat minister Ritzen dat tien jaar geleden onmogelijk maakte, ieder jaar bijna vijftienhonderd aanmeldingen gekregen hebben voor het programma in economie en bedrijfskunde, dat ook premier Kok tot zegen van het land heeft gevolgd. Bij een fusie tussen Leiden en Nyenrode wordt ons kasteel aan de Vecht een mooi buitenverblijf voor postacademisch en Tweede-Fase-onderwijs. Leiden kan met Nyenrode-expertise de ontbrekende faculteit economie oprichten en tegelijk studenten in de andere faculteiten een paar nuttige economische en financiële vakken aanbieden.

Leiden heeft een fantastisch breed vakkenpakket, waarin alleen economie nog ontbreekt; Nyenrode is klein maar heeft een goed systeem van kwaliteitscontrole op het onderwijs omdat de studenten met succes waar eisen voor hun hoge collegegeld. Toen zich in maart tachtig studenten opgaven voor mijn vak, moest ik het twee keer geven. Niet omdat wij geen grote collegezaal hebben, maar omdat studenten die veel moeten betalen ook graag les krijgen in groepen die klein genoeg zijn voor discussie met de docent. Daar zouden de staatsuniversiteiten met hun demotiverende massacolleges voor de eerstejaars nog wat van kunnen leren.

Komt het ooit tot zo'n fusie, dan mag collega Philipse voortaan ook college geven in Breukelen. En als de studenten dan schrikken van zijn harde materialisme, zorgen wij economen wel voor een vriendelijker alternatief uit de Theory of moral sentiments van onze grondlegger Adam Smith.