KRUISEN VAN ARMEN VERWART LICHAAMBEELD IN DE HERSENEN

Signalen uit de tastzintuigen in de hand worden in het menselijk brein eerst ruimtelijk verwerkt. Voortdurend maken de hersenen een ruimtelijke `kaart' waarin de gegevens uit de tastzintuigen worden ingepast. De invloed van deze `kaart' kan zelfs groter zijn dan die van de daadwerkelijke positie van de handen. Het blijkt namelijk dat deze lichaamskaart in de war raakt als je je armen kruist (waardoor de linkerhand zich aan de rechterkant van het lichaam bevindt en de rechter aan de linkerkant). Kennelijk kan de lichaamskaart alleen met grote moeite worden aangepast aan deze afwijkende standaardpositie. Deze conclusie trekken twee Japanse neurologen uit een experiment waarbij proefpersonen (met gesloten ogen) moesten zeggen welke van hun handen het eerst aangeraakt werd, met gekruiste of ongekruiste armen (Nature neuroscience, juli).

Het bleek dat de proefpersonen tot aan een tijdsverschil van 70 milliseconden tussen de tikjes vrijwel altijd correct meldden welk tikje het eerst kwam (links of rechts). Maar als ze hun handen kruisten, raakten de meeste proefpersonen in de war, vooral wanneer het tijdsverschil minder was dan 300 ms. Sommige proefpersonen meldden dan zelfs consequent het verkeerde antwoord: links als het rechts was en rechts als het links was. Pas wanneer het interval langer was dan anderhalve seconde gaven de proefpersoon zonder moeite weer het juiste antwoord. In de gekruiste positie moesten de proefpersonen ook iets langer nadenken over het juiste antwoord. De manier van antwoorden (met een vingerbeweging of met een oogbeweging) had geen invloed op het resultaat.

De berekeningstijd van de lichaamskaart in complexe gevallen duurt waarschijnlijk minstens zo'n 300 ms, suggereren de Japanse onderzoekers. In het geval van de twee tikjes, met een tussentijd van minder dan 300 ms, arriveert het signaal van het tweede tikje dan op een moment dat het eerste tikje nog niet juist gepositioneerd is. Vandaar de verwarring. Bij tussentijden langer dan 300 ms wordt het aantal goede antwoorden geleidelijk aan groter.

Dit signaalverwerkingsprobleem lijkt enigzins op een bekend grapje dat vooral onder kinderen populair is: laat iemand zijn armen kruisen, zijn handen vouwen en vervolgens die gevouwen handen naar zich toe omhoog dragen. Wijs vervolgens op een van de vingers (niet aanraken!) en laat hem die bewegen. Vaak zal de persoon dan de verkeerde vinger bewegen. In dit geval gaat het om de visuele informatie die lichaamskaart in de war stuurt. De Japanners lieten in hun onderzoek ook zien waarom bij dit kindergrapje aanraking verboden is. Om vast te stellen of het bij hun experiment niet ging om een triviale verwarring tussen de twee handen, gaven ze een aantal proefpersonen ook één tikje op de hand, waarna deze moesten zeggen welke hand aangeraakt werd. Dat hadden de personen vrijwel altijd goed, ook met handen in gekruiste positie. Met gekruiste handen moesten ze wel iets langer nadenken over het juiste antwoord. Dat kruising van de armen cruciaal was voor de uitkomst bleek uit een derde experiment waarbij zes armposities werden getest (zie illustratie). Het maakte allemaal niets uit, alleen bij de twee posities waarbij de armen daadwerkelijk gekruist waren gaven de proefpersonen foute antwoorden.