Keurslijf

De komende twee maanden zal deze rubriek niet verschijnen. U zult het dus een tijdje zonder mij moeten doen en ik zonder u. Ik vermeld dit laatste zo nadrukkelijk, om de volgende reden.

In het verleden kreeg ik zo nu en dan een brief. Vaak waren het uitvoerige epistels waarin gevraagd werd om advies of commentaar op zaken die slechts zijdelings samenhingen met wat ik had geschreven. De meeste brieven beantwoordde ik, maar van sommige nam ik me voor erover na te denken, ze in een later stadium te beantwoorden. Langzaam schoven ze richting rand van het bureau. Daar bevindt zich een grote prullenmand. Vroeg of laat kwamen ze daarin terecht.

Heel anders werkt het communicatiewonder dat e-mail heet. Een lezer leest iets, verbaast zich erover, weet een aanvulling, een pregnant voorbeeld, een eigen ervaring. De reacties die ik nu krijg zijn veel meer ter zake. Het schrijven dit jaar heeft daardoor een min of meer interactief karakter gekregen. Mailtjes zijn informeler, directer, ik voel me daar uitstekend bij.

Sommige reacties bevatten correcties op wat ik schreef. Eén daarvan betrof een inhoudelijke die ik me voornam te gelegener tijd bij wijze van rectificatie te melden. Daar die gelegener tijd zich niet eerder voordeed, doe ik dit alsnog bij deze. Rinnooij Kan bracht, tezamen met enkele anderen, een half jaar geleden een advies uit over de inrichting van het voortgezet onderwijs dat in veel opzichten herinnert aan hoe het onderwijs er vroeger uitzag. In de jaren voor de grote afbraak. Mijn kritiek kwam erop neer dat hij er beter aan had gedaan indertijd als VNO-voorzitter zijn stem te verheffen tegen die afbraak. In die jaren waarin alles uitsluitend vanuit economisch perspectief werd bezien, was de VNO zo gezaghebbend, dat haar stem serieuze invloed had kunnen hebben op het beleid. Rinnooy Kan had gelijk toen hij mij erop wees dat dit speelde voor zijn tijd en dat hij juist altijd meer aandacht voor onderwijs heeft bepleit.

Naar aanleiding van mijn laatste column over cijfers schreef mij een lezer dat hij indertijd was overgestapt van een middelbare school in Nederland naar een in Amerika. Daar bleef niemand zitten en hoefde je dus ook nooit een vak over te doen waar je eerder een voldoende voor had gehaald. Een verademing, vond hij, vergeleken bij het haast sadistische Hollandse systeem van zittenblijven. Zijn brief sluit aan aan bij eerdere reacties van lezers die vertelden hoe gedemotiveerd ze raakten toen ze op het nippertje bleven zitten en alles over moesten doen. Somber stemmend nu is dat die reacties nooit komen van leraren, terwijl die toch het meeste zuchten onder de demotiverende gevolgen van dit alles-of-niets-systeem. Pedagogen hebben in het verleden gezocht naar wegen om het onderwijs te individualiseren, aan te passen aan interesses en kwaliteiten van de leerlingen. De verschillen tussen leerlingen zijn de laatste decennia enorm gegroeid. Ook is het, veel meer dan vroeger, mogelijk die verschillen tot uitgangspunt te nemen voor het onderwijs. Zo vind ik het absurd dat leerlingen bij de huidige stand van technologie één keer per jaar eindexamen mogen doen voor hun hele vakkenpakket in één keer.

Verschillen tussen leerlingen worden in het onderwijs als lastig ervaren en dat is het ook als het uitgangspunt is iedereen in hetzelfde keurslijf te persen. De meeste energie van scholen gaat naar dat persen terwijl de leerlingen voortdurend bezig zijn zich daaraan te ontworstelen. Die energie, en dat geldt voor beide partijen, zou aangenamer en beter kunnen worden besteed.

prick@nrc.nl