Jan Pronk en de waterkip

Ergens bij een brug over een Amsterdamse gracht is het nest van twee waterkippen. Ik zeg niet waar, want voor je het weet is het een evenement of een attractie geworden. Waterkippen horen tot de perfectionisten onder de vogels. Het begint zoals overal in de natuur met de ontmoeting tussen het vrouwtje en het mannetje. Dan volgt de nestbouw, het leggen van de eieren, broeden, de eieren komen uit, op stille avonden hoor je de waterkuikens piepen, enz. enz. Tot de dieren bijna volwassen zijn geworden, gaat de nestbouw verder. Daar gaat het om. Ten slotte is zo'n nest een kasteel in het water. Het is gemaakt van alles wat de waterkip aan bruikbaar bouwmateriaal in de gracht drijvend vindt, en dat is bijna alles. Ik vind dat een optimistisch gezicht: zo'n fragiele watervogel die weer met een vondst komt aanzwemmen en dan met zijn snavel zo lang tilt en wrikt en duwt tot het zijn plaats in het bouwwerk heeft gevonden.

De kuikens zijn nu bijna volwassen. Een paar dagen geleden kwam een van de ouders weer met iets kostbaars aangezwommen. Ik moest aan minister Jan Pronk denken. De kip had een pakje Malboro gevonden, dat met de rode opdruk. Zijn vogels gevoelig voor kleuren? Dit stukje nat karton kreeg een ereplaats op de borstwering van het nest. Het leek wel of de vlag werd gehesen. Het beste hergebruik van zwerfvuil dat ik ooit heb gezien.

Ik zou waarschijnlijk niet over de waterkip hebben geschreven, als het zwerfvuil van regeringswege niet in het brandpunt van de belangstelling is geplaatst. Waarom nu? In 1958 is het inmiddels beroemde en klassieke boek van John Kenneth Galbraith verschenen, The Affluent Society, met daarin de onbetwistbare wijsheid: private vice is public squalor. Wat zou je daarvoor als moderne vertaling kunnen verzinnen? Hoe verder de mensen uit hun dak gaan, hoe meer smerigheid ze achterlaten. Geen nieuws. Vèr terug in de vorige eeuw, toen het toppunt van uit het dak gaan bestond uit de picknick, heeft een naamloze dichter al geschreven: `Laat niet als dank voor 't aangenaam verpozen, de eigenaar van 't bos de schillen en de dozen.' Wilder ging het toe bij Louis Davids: `We gaan naar Zandvoort, al bij de zee. We nemen broodjes en koffie mee. En o! Het is zo'n zaligheid, als je van de duinen glijdt.' Dat was tientallen jaren voor de duurzame verpakkingen werden uitgevonden. En nu, in de beste Nederlandse poëzietraditie juicht een naamloze staatsdichter: `Weer een lid erbij! Het gaat goed met de maatschappij!'

Ieder volk heeft zijn hebbelijkheden. Italianen spreken alle vrouwen aan en roepen psst! als ze voorbij zijn. Grieken laten van hun stilstaand voertuig de motor stationair draaien; en als het voorgoed met het mechanisme gedaan is, laten ze het wrak ter plaatse achter. Russen die boven de begane grond wonen, gooien wat ze niet meer nodig hebben in de tuin van de benedenburen. En Nederlanders die iets hebben leeggedronken, leeggegeten, leeggerookt – blikjes, flessen, zakken, dozen, wikkels van hun snoepgoed, shag- en sigarettenpakjes – gooien de verpakking op straat of in het water, maar alleen als er niemand kijkt. De zorgvuldigsten zetten hun lege blikje bij een boom of onder een bankje.

Minister Jan Pronk heeft nu de strijd tegen het zwerfvuil aangebonden. Ik vind het heldhaftig, maar het is een polderversie van the charge of the light brigade. Statiegeld voor blikjes en flessen. In New York zie je arme mensen met enorme zakken blikjes over hun schouder op weg naar het bedrag dat hun fortuin van die dag is. Ze halen die blikjes uit de afvalbakken. Hoe komen ze daar terecht? Omdat ze van burgemeester Rudy Giuliani erin gegooid moeten worden, omdat er in die bakken altijd plaats is voor lege blikjes, omdat de vuilnisdienst de bakken regelmatig leeg maakt. Sim sala bim! Zo eenvoudig werkt het. Arme mensen, strenge burgemeester, lege bakken. Dat willen we hier niet.

Vorige week las ik in de krant een vraaggesprek met de bemanning van een Amsterdamse vuilnisbaggerboot. Van het panorama van rotzooi dat de heren beschreven, zou Damien Hirst een museum vol kunstwerken kunnen maken. Het liefst gooien de Amsterdammers een fiets in het water, of liever nog een matras. Omdat er op straat steeds meer gegeten en gedronken wordt, terwijl er (wegens het telefoneren) steeds minder mensen naar andere mensen kijken, wordt het op straat een steeds grotere bende. Ik vind dat we daar niet over moeten klagen, mopperen, somberen of zeuren. Laten we blij zijn dat het geen Hongerwinter meer is. Toen lag er niets op straat; alles was opgegeten. Céline had gelijk. De mensen willen 22 meter darmen in plaats van 11, om het dubbele erin te kunnen proppen. En wat de gevolgen zijn heeft Galbraith al verklaard.

Wat te doen? Dat weten we niet. Wat niet te doen? Dat weten we wel. Verleen geen opdrachten meer aan dichters om opvoedkundige rijmpjes te maken. Zie de positieve kant. Zo'n waterkip met een Malboro-verpakking is pure eigentijdse poëzie.