Indische Nederlanders 1

Als reactie op de column `Indisch ressentiment' van Amanda Kluveld in NRC van dinsdag 26 juni 2001 wil ik het volgende opmerken.

De ieder jaar terugkerende Pasar Malam in Den Haag heb ik al heel lang niet meer bezocht. Mijn Indische moeder en grootmoeder zijn ook alweer een tijd geleden overleden.

Ik ben ook opgegroeid met de verhalen over de oorlog in het voormalig Nederlands-Indië, die voornamelijk door mijn moeder aan mij werden doorgegeven.

Mijn vader heeft de oorlog in Amsterdam beleefd en ook van zijn kant heeft hij daar veel over verteld. Net als in veel andere gezinnen werd de oorlog een beetje herhaald, door de kinderen te laten delen in de ervaringen waarvan bijna niemand kon loskomen.

Wij leefden in een tijd die werd gekenmerkt door wat van je leven maken en vooruitzien. De verhalen die mijn moeder vertelde, waren gruwelijk en vol van onverwerkt verdriet.

Haar vader was letterlijk doodgehongerd in een kamp op Halma Heira en haar broer had de dood gevonden aan de Birmaspoorweg. Zijzelf onderging toen de ellende van de vrouwenkampen, samen met mijn grootmoeder. Zij haastte zich echter altijd te zeggen dat zij zich geen oorlogsslachtoffer voelde en dat ook niet wilde zijn.

Mijn grootmoeder, die bij ons in huis woonde, zweeg en keek de andere kant op. Geen woord kwam over haar lippen naar aanleiding van wat zij allemaal had beleefd. Geen verwijt ook, zeker niet naar de Nederlandse overheid.

Er was alleen een bevreemding die zich van beiden meester maakte toen zij in 1945 van de boot stapten en de klamme burgerlijkheid betraden die het Nederland dat zij voor het eerst leerden kennen, in die tijd zo kenmerkte.

Zij moesten wonen in kleine goedkope kamertjes en waren overgeleverd aan de grillen van opeenvolgende hospita's. Natuurlijk werden zij gediscrimineerd, maar wat kon je ook verwachten?

,,Wij zien er niet alleen anders uit'', zei mijn grootmoeder. ,,Wij zijn ook anders, daar moeten bepaalde Hollanders gewoon aan wennen.'' Ze hief vervolgens haar korte donkerbruine armen in de lucht, zuchtte een paar maal en zei: ,,Wat hebben die mensen nou van de wereld gezien? Bijna niets toch?'

Over geld of genoegdoening door de Nederlandse overheid werd nooit gesproken. Ik verbeeld mij zelfs dat daar niet eens aan werd gedacht. Zowel mijn moeder als mijn grootmoeder prees zichzelf gelukkig dat ze in Nederland woonden en niet in Indonesië waren gebleven en dat was meer dan voldoende.

Ik durf ook voor beiden te spreken dat, als zij nog hadden geleefd en het steeds meer op de voorgrond tredende geklaag en gekissebis over geld hadden moeten aanhoren, zij door hetzelfde gevoel van gêne zouden zijn bekropen als ik.