Hoofddoekje past niet bij neutrale rechter

Het ideaal van een multiculturele samenleving is meer gediend bij een neutrale overheid dan bij een overheid die zelf pluriform en daarmee partij is geworden, vindt P.B. Cliteur.

`Het was angstaanjagend om steeds maar de straf uit de mond van de president te zien komen, als het water uit een fontein, gelijkmatig, onuitputtelijk, zonder oponthoud. Verhoor, getuigenverklaring, verdediging en eis, het geheel nam vijf minuten in beslag.'' Dat was het weinig vleiend oordeel van de gebroeders Jules en Edmond de Goncourt over de Franse rechtspraak in hun Journal, mémoires de la vie littéraire (1853).

Altijd is men onder de indruk geweest van de grote macht die wij aan rechters hebben overgedragen. Vroeger beslisten zij over leven en dood, maar ook tegenwoordig oordelen zij nog over enorme belangen van diegenen die voor het hekje verschijnen. Bezinning op de aard van het strafproces en op de waarborgen voor een onafhankelijke procesgang zijn daarom van groot publiek belang.

Eén van de consequenties die we hebben verbonden aan de macht van de rechter is dat deze streng aan de wet gebonden is, dat beroep mogelijk is bij een hogere instantie en dat de rechter zowel in zijn uiterlijke verschijning als ook realiter zoveel mogelijk onafhankelijk is. Die onafhankelijkheid van de rechter wordt symbolisch tot uitdrukking gebracht in de inrichting van de rechtszaal, de wijze waarop de rechter het woord richt tot de verdachte, maar ook in de kleding. De toga moet de tot op zekere hoogte onvermijdelijke verschillen tussen mensen zoveel mogelijk naar de achtergrond dringen. Daarbij past niet dat een liberale rechter een button opspelt met `Stem VVD'. Of dat een sikh zijn tulband en kirpan (rituele dolk) over de toga draagt. De joodse rechter kan niet zijn keppeltje ophouden en de christen mag zijn kruisje niet uit het gewaad laten bungelen. Zelfs het parelkettinkje wordt discreet thuisgelaten.

De harde kern van iemands gewetens- en geloofsvrijheid wordt daarmee nauwelijks aangetast. Immers, van een rechter wordt niet verwacht dat hij zijn geloof afzweert, zoals de Spaanse inquisitie eiste. Het enige wat van hem verwacht wordt, is dat hij de neutraliteit die van de overheid en in het bijzonder van een rechter verwacht wordt, respecteert en dat hij niet met zijn geloofsovertuiging te koop loopt.

Zolang de rechterlijke macht erop let dat deze strenge regels van het ambt gelijkelijk voor elk lid van de zittende magistratuur worden gehandhaafd, is dit geheel conform het gelijkheidsbeginsel. Problemen rijzen wanneer we gaan onderscheiden tussen religies en levensbeschouwingen die we sympathiek vinden en religies waarvoor dat niet geldt. We komen dan terecht in een discussie die we nu juist zoveel mogelijk buiten de deur moeten houden. We moeten gaan debatteren over de vraag of we de visie op het hoofddoekje van Ciska Dresselhuys delen of die van Fatima Elatik. We krijgen allerlei tumult over quota-regelingen voor rechters: proportionele vertegenwoordiging binnen de rechterlijke macht van alle religies, levensbeschouwingen, politieke richtingen, ideologische stromingen, etnische oriëntaties enzovoorts. Dit zijn het soort discussies waar we nu juist met één helder uitgangspunt buiten zouden kunnen blijven: gelijke behandeling van rechters door van allen te eisen dat zij neutraliteit uitstralen.

Het ideaal van een multiculturele samenleving is uiteindelijk ook meer gediend bij een neutrale overheid dan bij een overheid die zelf pluriform en daarmee partij is geworden. Kenmerkend voor de moderne samenleving is het naast elkaar bestaan van vele opvattingen over het goede leven. Dat behoeft op zichzelf geen probleem te zijn als de spelregels die het verkeer tussen de verschillende levensbeschouwingen moeten reguleren en de instanties die daarop toezien neutraal zijn. De klassieke mensenrechten vervullen op dat terrein een belangrijke functie. Ten aanzien van de mensenrechten kan men onderscheiden tussen drie relaties waarin deze een rol kunnen spelen, maar wel in een afnemende mate.

De eerste relatie is die van de burger in de volledig openbare sfeer. Hier gelden de mensenrechten optimaal. Ook hier betekent optimaal niet absoluut. Het recht op vrijheid van meningsuiting laat een procedure wegens belediging onverlet.

De tweede relatie is die van de burger in specifieke verhoudingen waarin onbelemmerde doorwerking van grondrechten problematisch is. Binnen een kerk heeft men niet het recht zijn atheïsme te belijden. In het vrouwencafé gelden andere maatstaven voor vrijheid van meningsuiting dan in de openbare sfeer. In het algemeen kan men zeggen dat de beperkingen hier verder gaan dan in de eerste sfeer.

De derde relatie waarin grondrechten een rol spelen is in functionele verhoudingen. Hier treedt de burger niet meer primair `als burger' op, maar staat het dienstverband centraal. Wie bij de overheid of bij een bepaald bedrijf gaat werken, moet zich allerlei beperkingen laten welgevallen op het terrein van zijn grondrechten. Wie als vertegenwoordiger van Pepsi-Cola wil werken kan niet met een beroep op de vrijheid van meningsuiting reclame voor Coca-Cola gaan maken. Wie docent wil zijn op een christelijke school kan niet de zegeningen van de secularisatie bezingen. Wie als ambtenaar op het ministerie van Justitie werkt kan geen stellingen in het publieke debat innemen die diametraal ingaan tegen de opvattingen van de minister of het kabinet.

Als dit `verouderd' mocht klinken, dan moeten we het oudere snel in ere herstellen. Tegenwoordig bestaat de neiging de maatstaven die gelden voor grondrechten in de eerste sfeer ook aan te leggen voor de bijzondere verhoudingen (de tweede en derde sfeer). Maar is dat wel zuiver? En is dat uiteindelijk ook niet een aantasting van de rechten van anderen? Er wordt al snel gezegd dat het verbieden van een hoofddoek voor een griffier inbreuk maakt op haar recht op vrijheid van godsdienst. Ook wordt gemakkelijk gezegd dat een dergelijk verbod `intolerant' zou zijn of geen blijk zou geven van `respect' voor een andersdenkende. Maar kan men niet met hetzelfde recht stellen dat door te eisen in alle omstandigheden een hoofddoek te mogen dragen, men inbreuk maakt op het recht van anderen op een neutrale overheid? En is het niet eigenlijk intolerant om te verlangen dat iedereen, in elke situatie, maar heeft te dulden dat hij wordt geconfronteerd met de specifieke eigenaardigheden van mijn geloof of mijn levensbeschouwing? Zou het niet tevens van een zeker respect getuigen een ander in bepaalde verhoudingen gevrijwaard te houden van de manifestaties van de eigen religie en levensbeschouwing?

Dr. P.B. Cliteur is Socrates-hoogleraar filosofie aan de TU Delft en Fellow van het Leidse E.M. Meijers Instituut.