De verlanglijst van het tribunaal...

Na Miloševic eist het VN-tribunaal van Belgrado de overdracht van nog zeven met name bekende Joegoslavische staatsburgers en die van acht Joegoslaven wier identiteit niet is bekendgemaakt.

Slobodan Miloševic is de meest prominente op de lijst van door het VN-tribunaal gezochte verdachten, samen met de Bosnische Serviërs Radovan Karadzic en Ratko Mladic. Die laatste twee vallen echter niet onder de jurisdictie van Joegoslavië. Maar van de regering in Belgrado eist het tribunaal de overdracht van nog zeker vijftien andere Joegoslavische staatsburgers.

Miloševic werd op 24 mei 1999 door het tribunaal voor oorlogsmisdaden in staat van beschuldiging gesteld. Hem wordt de verdrijving van 740.000 Kosovaren voor en tijdens de Kosovo-oorlog ten laste gelegd, samen met de moord op 340 met naam bekende Kosovo-Albanezen. De aanklacht wordt zeker nog uitgebreid met misdrijven in de oorlogen in Kroatië en Bosnië. De afgelopen weken heeft het nieuwe bewind in Belgrado ook nieuwe details van Miloševic' misdrijven in Kosovo ontdekt. Die kunnen hem een aanklacht wegens genocide opleveren.

Tegelijkertijd met de toenmalige Joegoslavische president werden in mei 1999 vier van zijn naaste medewerkers in staat van beschuldiging gesteld: president Milan Milutinovic van Servië, de toenmalige Joegoslavische vice-premier Nikola Šainovic, Dragoljub Ojdanic, in 1999 stafchef van het Joegoslavische leger, en de toenmalige Servische minister van Binnenlandse Zaken Vlajko Stojiljkovic. De aanklacht tegen dit kwartet is identiek aan die tegen Miloševic.

Een van deze vier oud-medewerkers is nog altijd in functie: Milan Milutinovic, sinds 1997 president van Servië. Hij was eerder als ambassadeur in Athene architect van het smokkelnetwerk waarmee Joegoslavië de internationale sancties ontdook en architect ook van de verduistering van de één miljard dollar die het Griekse communicatiebedrijf OTE betaalde voor de overname van de Joegoslavische PTT.

Het mag verwondering wekken dat, driekwart jaar na het aantreden van een democratisch bewind in Belgrado, een van oorlogsmisdaden verdachte nog altijd staatshoofd van Servië is. De reden is de onzekere toekomst van Joegoslavië: als Montenegro zich afscheidt houdt Joegoslavië op te bestaan. In dat geval is de huidige Joegoslavische president Vojislav Koštunica president van niks. Dan is het handig om Milutinovic opzij te schuiven en Koštunica president van Servië te maken.

Nikola Šainovic was Miloševic' `man voor de lastige karweitjes'. Tijdens de Kosovo-oorlog coördineerde hij het Kosovo-beleid en gaf hij Miloševic' opdrachten door aan het leger en de politie in Kosovo. De Amerikaanse inlichtingendienst onderschepte eens een telefonische opdracht aan de Servische politie om hard op te treden. Kort daarop werden in Racak ruim veertig mensen vermoord.

Vlajko Stojiljkovic, lid van de zogenoemde Pozarevac-clan (Pozarevac is de geboorteplaats van Miloševic), was als minister van Binnenlandse Zaken verantwoordelijk voor het geweld van de Servische politie in Kosovo. Onlangs meldde het nieuwe bewind in Belgrado over bewijzen te beschikken die aantonen dat Miloševic hem opdracht gaf de sporen van massamoorden in Kosovo op te ruimen.

Generaal Dragoljub Ojdanic tenslotte werd stafchef van het leger nadat in de herfst van 1998 zijn voorganger wegens kritiek op het Kosovo-beleid werd weggezuiverd. Ojdanic had weinig moeite met het uitvoeren van Miloševic' bevelen voor en tijdens de Kosovo-oorlog. Van de kopstukken van 1999 genieten er overigens op dit moment drie immuniteit: Milutinovic als president, Šainovic en Stojiljkovic als parlementslid. De immuniteit kan alleen worden opgeheven door het parlement, op een speciale zitting. In de huidige samenstelling zal het parlement dat niet doen. De immuniteit van Milutinovic eindigt als zijn ambtstermijn eindigt: in 2002.

Naast deze medewerkers van Miloševic lopen er nog aanklachten tegen drie Joegoslavische staatsburgers die bekend staan als `de Drie van Vukovar' en wier misdrijven zijn begaan in een andere oorlog: die in Kroatië in 1991. Het gaat om drie voormalige officieren van het Joegoslavische Volksleger die betrokken waren bij de drie maanden durende belegering van Vukovar, de stad in het oosten van Kroatië die door het Volksleger en Kroatisch-Servische milities werd herschapen in een ruïne. Na de val van Vukovar werden 260 zieken en gewonden uit het ziekenhuis van Vukovar gehaald. Ze werden naar het nabijgelegen Ovcara gebracht en daar vermoord.

De massamoord was het werk van de Drie van Vukovar: de officieren Mile Mrkšic, Veselin Šljivancanin en Miroslav Radic. De drie vestigden zich na de oorlog in Servië, waar ze ongemoeid werden gelaten. Mrkšic en Radic zijn gepensioneerd; of ze nog steeds in Servië wonen, is niet duidelijk. Šljivancanin geeft nog altijd les aan de militaire hogeschool van Belgrado. Overigens zit er op dit moment één Joegoslavische staatsburger in de Scheveningse cel: Blagoje Šimic. Hij wordt verdacht van oorlogsmisdaden in Bosnië en heeft zich zich vrijwillig aangegeven.

De vijf kopstukken en de Drie van Vukovar komen allen voor op de openbare lijst van gezochte verdachten van het tribunaal. Er bestaat ook een geheime lijst van verdachten – oorlogsmisdadigers van wie niet openlijk is gezegd dat ze door het tribunaal worden gezocht. Eind vorige week meldde de Joegoslavische vice-premier Miroljub Labuš dat er wat Joegoslavië betreft zestien verdachten zijn. Dat zou betekenen dat de geheime lijst van het tribunaal de namen van nog eens acht Joegoslavische staatsburgers bevat – zestien minus de acht op de openbare lijst. Algemeen wordt vermoed dat de geheime lijst de namen bevat van admiraal Milan Zec en generaal Pavle Strugar, die betrokken waren bij het bombardement op het Kroatische Dubrovnik, in 1991.