De laatste ontruiming

Met de verhuizing van de Amsterdamse redactie van NRC Handelsblad verdwijnt de laatste vestiging van de Nederlandse dagbladpers uit het centrum van de hoofdstad. Een `journalistencultuur' heeft er echter nooit bestaan, meent H.J.A. Hofland.

Op vrijdag 22 juni, om twee uur 's middags precies, werden de kabels doorgesneden. De telefoon gaf geen geluid meer, de fax was dood, de beeldschermen die door hun glasvezelnavelstreng verbinding met de hele wereld hadden, lieten weten: There is no dialtone. In de gangen en lokalen heerste een onbeschrijfelijke rommel. Kostbare correspondentie verdween in de snipperaar, tientallen kilo's eens gekoesterd bedrukt papier werd op hopen gegooid. Het toneel was dat van een sauve qui peut. Als de laatste Amerikaanse uren van Saigon. Buiten dreunde veelsoortig lawaai, knallen, verwarde muziek; van de belegeraars die zich opmaakten voor hun triomfantelijke intocht.

Nee. Zo'n groot drama was het niet. De triomfantelijke geluiden kwamen van de kermis op de Dam. Het tafereel dat ik hierboven heb beschreven, verschilt in principe niet van dat van iedere andere verhuizing. De ruimten zijn al afgedankt, en op de vloeren verzamelen zich de spullen van jaren die plotseling als ballast worden herkend. Het enige uitzonderlijke van dit geval is dat hier de Amsterdamse redactie van NRC Handelsblad werd ontruimd. Toch een historisch ogenblik, want daarmee is de laatste nederzetting van de Nederlandse dagbladpers uit in het centrum van Amsterdam verdwenen. Is dat een nadeel voor het centrum? Een kleine tragedie voor de krant? Of is het niet meer dan de natuurlijke gang van de geschiedenis, dit keer zonder winnaars of verliezers?

Een halve eeuw geleden waren op niet veel meer dan een vierkante kilometer alle landelijke dagbladen op twee na gevestigd. De uitzonderingen waren de NRC en het Algemeen Dagblad in Rotterdam, de Witte de Withstraat. Gerekend van het Centraal Station begon het met Het Vrije Volk, socialistisch dagblad, aan de Martelaarsgracht. Dan het katholieke dagblad De Tijd, aan de Nieuwezijds Voorburgwal, in het Kasteel van Aemstel. Op de hoek van de Paleisstraat en de Voorburgwal was het Algemeen Handelsblad. Aan de overkant deelde De Telegraaf zijn gebouw met Trouw en Het Parool. Een steenworp verder was de Volkskrant. De Waarheid is na de oorlog begonnen op de postzegelmarkt. Later leidde mr.G.B.J.Hiltermann daar de Haagse Post. De Groene werd gezet en gedrukt bij het Handelsblad. In de Spuistraat zat de redactie van Elseviers Weekblad, dat bij De Telegraaf werd gezet en op de persen van het Handelsblad gedrukt. Behalve in Fleetstreet vond je nergens in democratisch Europa een zo sterke concentratie van journalisten, papier en drukinkt. In communistisch Europa was het anders. Daar werden om politiek-strategische redenen de kranten zoveel mogelijk op één klein gebied geconcentreerd.

Maar streng verzuild waren de dagbladen en hun publiek. Dat bleek vooral op de avond na de verkiezingen. Dan maakte iedere krant op borden aan de gevel het verloop van de uitslagen bekend. De communisten verzamelden zich voor De Waarheid, de liberalen voor het Handelsblad, enzovoort. Pas nadat de volledige uitslag bekend was geworden, mengden de militantsten van de zuilen zich om wat ruzie te maken. ,,In de krantenwijken wordt gevochten'', is een regel uit Bertold Brechts toneelstuk Trommelen in de nacht. Dat was in Berlijn, jaren twintig. Zo ver is het in Amsterdam toen één keer gekomen. Daarna rolde de kop van de burgemeester.

De romantische legende wil dat de Nieuwezijds ook het centrum van een journalistieke cultuur was. Ik ben er op 1 mei 1953 gaan werken, toen deze concentratie nog volledig intact was. Ik heb er niet veel van gemerkt. Behalve dat de pers verzuild was, heerste binnen iedere krant afzonderlijk een strenge hiërarchie. Wie bij een liberale krant werkte, zag zelden een katholieke of socialistische journalist. Hoofdredacteuren, hun plaatsvervangers en adjuncten werden met u aangesproken en je moest altijd op de deur kloppen. De legende wil dan verder dat er bijzondere `journalistencafé's' waren. Ook dat viel tegen. De socialisten hadden een kroegje op het Hekelveld, de Silveren Spieghel. De `Roomsen' van De Tijd hebben het geheim van hun plaats van congregatie altijd bewaard, als ze al zo'n centrum hadden; hoge liberalen gingen naar de Grote Club, of de Industriële, en hun middenkader kwam sporadisch in Die Poort van Cleve en in het café van Hotel Polen. Dat werd ook bezocht door journalisten van De Telegraaf, later in het bijzonder Jacques Gans en Dick Sternheim. Wilde je mensen van Elseviers zien, dan ging je naar De Drie Flesjes. Henri Goeman Borgesius, hoofdredacteur van De Telegraaf, ging vaak lunchen in Dorrius, toen tussen de Spuistraat en de Voorburgwal. En Scheltema had wel de naam, maar was niet een zuiver `journalistencafé'. Het was van de bohème: schrijvers, schilders, filmers, uitgevers en ook een stuk of wat journalisten. En op zaterdag was het van de postzegelhandelaars.

Door de verzuiling is in dit kleine gebied van het Amsterdamse centrum nooit een `journalistencultuur' ontstaan, althans niets dat vergelijkbaar is met het fameuze New-Yorkse circuit van de Algonquin en later nog een beetje The Red Lion. Misschien was het in de loop van de ontzuiling mogelijk geweest. Maar de economische ontwikkeling dwong het dagbladbedrijf tot een pijnlijke aanpassing.

Voor het landelijk dagbladbedrijf was de Nieuwezijds al een van de ongelukkigste plaatsen van vestiging. Het grootste deel van de eerste edities ging met de trein het land in. Op de weg naar het station waren twee obstakels: het nog met de hand bediende verkeersbord op de driesprong Raadhuisstraat-Nieuwezijds en de opstopping daarna, op het resterende deel van het traject. De agent van het stopbord werd door verscheidene dagbladdirecties omgekocht: zag hij een vrachtauto van bijvoorbeeld het Handelsblad naderen, dan zette hij in ruil voor een regelmatig douceurtje zijn bord op groen. De opstopping die volgde, was permanent. Een regelmatige late bezorging in de provincie betekende veel opzeggingen.

Dat kon geen dagblad zich in de inmiddels aangebroken jaren zestig de periode van onze culturele minirevolutie, zoals Joop den Uyl het noemde zich veroorloven. Alle kranten, behalve De Telegraaf, zagen zich gedwongen tot het wisselen van paarden in het midden van de stroom. Zich aanpassen aan de ontzuiling en de moderne tijd betekende verlies van oudere lezers. Vasthouden aan de oude koers betekende een gestaag krimpen van de oplage, tot de dood erop zou volgen.

Economische, politieke en culturele problemen dienden zich praktisch gelijktijdig aan. De Telegraaf vond de beste manier om te overleven en te blijven groeien. De krant bleef bij haar onversneden conservatieve koers en verhuisde naar de rand van de stad, de Basisweg. NRC en Algemeen Handelsblad fuseerden, en de nieuwe krant concentreerde zich in Rotterdam. Het Parool sloot een overeenkomst met Trouw en de Volkskrant. De drie vestigden zich aan de Wibautstraat. Daaruit ontstond de Perscombinatie, die in 1996 de Nederlandse Dagblad Unie, uitgever van het AD en NRC Handelsblad, heeft gekocht. Het Vrije Volk had het al tientallen jaren eerder opgegeven. De hoofdmacht van de dagbladen had het centrum ontruimd; een paar kleine nederzettingen bleven achter.

De Amsterdamse redactie van NRC Handelsblad verhuisde eerst van het intussen bijna leegstaande Handelsbladgebouw naar een verdieping van het voormalige Gerzon (ook opgeheven) en vervolgens naar de Paleisstraat 1, eertijds het majesteitelijk hoofdkwartier van de Amsterdamse regenten, van wie de meeste inmiddels naar Aerdenhout, Bloemendaal of het Gooi waren verhuisd. Op langere termijn gezien, en gedeeltelijk door andere oorzaken, deden de dagbladen mee in een grote beweging, weg van het oude stadscentrum, naar de nieuwe toegankelijkheid, dichtbij de nieuwe uitvalspoorten van de grote autowegen en de vliegvelden. In Amsterdam is dat niet anders dan in andere grote steden met een historisch centrum. Het zwaartepunt van de economie en de politiek verandert, en verschuift. De Amsterdamse Zuidas bloeit en breidt zich uit. De binnenstad heeft zich snel gevuld: door de toeristen, het vermaak, de funshoppers, het consumentisme. Dat heeft andere belangen. Als in de voormalige krantenwijken nog eens wordt gevochten, dan door dronken caféklanten of voetbalsupporters.

De nieuwe Amsterdamse nederzetting van deze krant is aan de Herengracht, tussen de Vijzelstraat en het Thorbeckeplein, op een steenworp afstand van de Reguliersbreestraat. Dus toch nog in de tang van het amusementsdistrict. Zeker. Maar we voelen ons hier betrekkelijk veilig, want op stapavonden staan de busjes van de ME gereed, met hun op alles voorbereide bemanning, aan de overkant woont de burgemeester en we blijven een dépendance van de Koningin der Aarde.

H.J.A.Hofland is columnist van NRC Handelsblad.