`De boer kan heel goed zelf natuur maken'

Je hoeft geen landbouwgrond aan te kopen om er natuur van te maken. Boeren kunnen dat net zo goed zelf. Als je ze maar bijschoolt en hun inkomstenderving compenseert.

Het plan heeft de charme van de eenvoud. Blijf niet krampachtig proberen om over twintig jaar klaar te zijn met de ecologische hoofdstructuur door landbouwgrond aan te kopen en om te vormen tot nieuwe natuur. Boeren zijn zelden genegen hun grond te verkopen en de grondprijzen rijzen toch al de pan uit. Besteed als overheid je dure geld liever aan omvorming van de huidige agrarische ondernemingen in extensieve, natuurgerichte landbouwbedrijven.

Dat voorstel deed onderzoeker dr. Anton Stortelder onlangs in het rapport `Boeren voor natuur', gepresenteerd door het onafhankelijke wetenschappelijke instituut Alterra in Wageningen. Stortelder: ,,Wat nu gebeurt is dat we boeren uitkopen en dat die boer vervolgens met een groot bedrag in een bungalow gaat wonen en op zijn krent gaat zitten. Maar de samenleving blijft vervolgens zitten met een stuk grond dat hoe dan ook beheerd zal moeten worden, en dat zal altijd op een zekere afstand gebeuren.''

Wat ligt er nu meer voor de hand, aldus Stortelder, dan de omvorming van landbouwgrond tot natuur in handen te leggen van de boer zelf. Die krijgt, als het aan de onderzoeker ligt, voortaan een uitkering uit een groenfonds. Daarin stort de overheid het bedrag dat ze nu reserveert voor de aankoop van toekomstige natuurgebied. Dit geld wordt belegd; de opbrengst ervan vormt de helft van het inkomen van de boer, in ruil voor de garantie dat het desbetreffende bedrijf natuurgericht gaat werken. De andere helft van zijn inkomen kan de boer krijgen uit zijn bedrijf, dat voortaan op oud-Hollandse manier gaat werken: een gesloten bedrijfsvoering zonder aanvoer van mest, hooi en krachtvoer voor zijn vee. Stortelder: ,,Zo kan de overheid voor hetzelfde geld tweemaal zoveel `nieuwe natuur' ontwikkelen als bij het huidige beleid. Maar het is ook een krachtige impuls voor de boeren die nu zo in de verdrukking zitten. Met een natuurgericht landbouwbedrijf kun je heel aardig rondkomen.''

De Limburgse land- en tuinbouworganisatie LLTB, zo werd deze week bekend, wil binnenkort al een stichting in het leven roepen die naast Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en de provinciale Landschappen als collectief van boeren contracten voor natuurbeheer afsluit.

Volgens Alterra-onderzoeker Stortelder heeft het niet zo veel zin om, zoals nu gebeurt, allerlei subsidieregelingen in te stellen waarin precies is bepaald welke soorten planten en dieren je moet halen om voor een bepaalde manier van natuurbeheer geld uit Den Haag of Brussel te krijgen. Stortelder: ,,Al die subsidieregelingen voor agrarisch natuurbeheer werken minder gewenst creatief gedrag in de hand. Een boer die zelf wat soorten bijzaait en op die manier bijdraagt aan floravervalsing. Of een boer die kikkers bij een poel uitzet om zijn natuurdoeltype te halen.''

Zulke eisen kun je wel stellen in heel duidelijke gevallen, zoals wanneer je een vergrast heideveld wilt terugbrengen in zijn oorspronkelijke staat van natte hei. Stortelder: ,,Dan moet je gewoon plaggen om dat te bereiken.'' Maar bij boerenland is zoiets veel moeilijker te voorspellen. ,,Als er op een bedrijf vijftig jaar lang is gemest, geploegd en ontwaterd, kun je nooit precies voorspellen wat voor natuur er in de plaats komt.''

Veel efficiënter dan al die subsidie-eisen, zegt de onderzoeker, is het om de verantwoordelijkheid voor het ontstaan van de gewenste nieuwe natuur in handen van de boer te leggen. Geef hem bijscholing, bied hem cursussen aan en laat hem gewoon precies doen wat nodig is om zijn bedrijf zonder aanvoer van kunstmest, hooi en brokken rendabel te houden. Dan ontstaat vanzelf de natuur die bij de plek past. Stortelder: ,,Geef de genius loci een kans. Dan krijg je een gevarieerde natuur in Nederland.''

De ecoloog stelt voor om de natuurgerichte landbouwbedrijven te vestigen op twee locaties: naast bestaande natuurgebieden, die daardoor minder last hebben van de verzuring en verdroging als gevolg van de intensieve landbouw, en in of bij de grotere steden, zodat de recreatieve waarde van het boerenland optimaal wordt benut. Stortelder: ,,Er gaan enkele miljarden guldens om in het stedelijk groenbeheer. Je zou daar veel geld kunnen besparen door bij de aanleg van nieuwe wijken niet steeds te kiezen voor blokken huizen met telkens wat groen ertussen, maar een wijk met in het midden daarvan een boerenbedrijf van dertig tot veertig hectare. Zo'n bedrijf kan op biologische wijze producten afzetten in een buurt die daar prijs op stelt.''

In het Alterra-rapport wordt ook voorgesteld om tegen de natuurgerichte landbouwbedrijven andere, landschapsgerichte bedrijven aan te leggen die wel op primaire productie zijn gericht maar die daarbij ook een vergoeding krijgen voor instandhouding van landschapselementen. Stortelder denkt daarbij aan boomgroepen, houtwallen of een waardevolle solitaire boom, rietkragen en kolken, reliëf, grafheuvels, dijken enzovoorts.

Het grootschalige landbouwbedrijf ten slotte moet zo ver mogelijk weg van steden én bestaande natuurgebieden worden gehouden. Daar gelden geen landschappelijke of ecologische beperkingen, al moet er vanzelfsprekend wel binnen de milieuregels worden gewerkt.

Zeker, erkent Stortelder, het zal nodig blijven grotere gebieden door terreinbeheerders als Natuurmonumenten of Staatsbosbeheer te laten beheren en te vergroten. ,,Er wordt gezegd dat als de gronden om het Fochteloërveen niet waren aangekocht, de kraanvogel daar wellicht niet zou zijn gaan broeden. Dat begrijp ik ook wel. Dat grootschalige beheer zal wel nodig blijven. Maar voor het overige is het niet altijd boeren óf natuur. Het is boeren én natuur.''