Bloedig geweld in een idyllische sfeer

In Algerije laait ondanks president Bouteflika's `Nationale verzoening' het moslim-extremistisch geweld op. Algemeen groeit de onvrede met zijn beleid, dat niets heeft opgeleverd.

In Aïd Ouarzeddine, een onooglijk Berberdorpje hoog in de bergen op een tiental kilometer ten westen van Tizi Ouzou, is de kazerne van de burgermilitie die nacht, tien dagen geleden, juist door gewapende terroristen aangevallen. De leden van de Algerijnse Zelfverdedigingscomités zijn een geliefd doelwit van moslim-extremisten. Het gaat om honderdduizenden burgers die de afgelopen jaren door het leger bewapend en geoefend zijn, om ook in de meer afgelegen dorpen en streken van Algerije de burgerbevolking enige bescherming te bieden tegen de moordende aanvallen van terroristen.

Er vielen bij de bestorming van de kazerne in Aïd Ouarzeddine drie doden en zes gewonden. Volgens de ordediensten konden alle aanvallers de omringende bossen invluchten voor het leger ter plaatse was.

De regio oogt op het eerste gezicht zo vreedzaam, idyllisch zelfs. In het centrum van Tadmaït, de gemeente waar Aïd Ouarzeddine deel van uitmaakt, word je onvermijdelijk getroffen door de gemoedelijke, pastorale sfeer die over de vallei hangt. Ooievaars nestelen ook in de stad, zelfs in de bomen langs het marktplein hebben ze hun nesten, en de gedempte drukte van de caféterrassen in de centrale winkelstraat verraadt niets van de dreiging en het gevaar waaraan de bevolking hier zo vlak aan de voet van de uitlopers van het Atlasgebergte bloot staat.

Maar de schijn bedriegt. Wanneer je de weg van Algiers naar Tizi Ouzou hebt verlaten, hoef je maar tien minuten te rijden, of een beklemmend gevoel overvalt je. Naarmate de weg omhoog kronkelt en de bergen je meer en meer in hun greep krijgen, komt het gevaar haast tastbaar dichterbij.

,,Ze riepen `Allahu Akbar' (God is groot). Het was een grote groep, zeker vijftig man'', vertelt Kamal, die naast de aangevallen kazerne in Aïd Ouarzeddine woont. ,,Om half twee 's nachts hoorden wij plots een hels lawaai. Van alle kanten klonken er salvo's zwaar mitrailleurvuur en we voelden ook een paar zware explosies.''

Kamals huis werd bij de aanval zwaar beschadigd. ,,Ik kon daar niet blijven. Ook andere gezinnen zijn weggevlucht. Ze zijn zoals ik ingetrokken bij vrienden of familie.''

De drukker Ismaïl zegt dat iedereen nu doodsbang is. ,,De mensen dachten dat heel het dorp zou worden uitgemoord. De meeste mensen in de dorpen in de bergen zijn als de dood, maar ze zijn veel te arm om te kunnen verhuizen. Ze kunnen daar gewoon niet weg.''

Aanvankelijk leek het erop dat de politiek van nationale verzoening, waarmee president Bouteflika twee jaar geleden de verkiezingen won, een einde zou kunnen maken aan het politieke geweld dat sinds 1992 meer dan 100.000 Algerijnen het leven heeft gekost. Een groot aantal veroordeelde extremisten werd vrijgelaten en veel terroristen van de AIS, de gewapende vleugel van de in 1992 verboden moslimpartij FIS (Front van Islamitische Redding), maakten gebruik van de presidentiële amnestie om de wapens neer te leggen.

Maar de zeer extremistische en schimmige Gewapende Islamitische Groep (GIA) en verwante groepen zijn de jongste maanden weer zeer actief. Sinds het begin van het jaar zijn er bij aanslagen al meer dan 1.000 doden geteld. De kranten berichten dagelijks over aanslagen en grootschalige anti-terreuroperaties van het leger. Het terroristisch geweld richt zich behalve tegen de burgermilities vooral tegen geïsoleerd levende mensen, arme boeren die ver van de politie en het leger zitten.

In de grote steden is wel degelijk sprake is van een normalisering. Maar voor iedereen blijft een groot probleem dat er van enige economische en sociale verbetering al die tijd niets gekomen is. Voor de grote meerderheid van de Algerijnen is Bouteflika een autoritaire leider uit het vroegere éénpartij-tijdperk gebleven, met een sterke hang naar praal en buitenlandse reizen. De arme en werkloze jeugd heeft lak aan al die blinkende presidentiële limousines die iedere dag op tv te zien zijn en aan Bouteflika's flamboyante optreden in het buitenland.

,,Wij vinden dat Bouteflika niet tegemoet is gekomen aan de ergste klachten van het volk'', zegt Lalaoui Belmoukhi, die voor de kleine radicaal-islamitische partij Ennahda (wedergeboorte) in het parlement zit. ,,Er is inderdaad sprake van een zekere mate van nationale verzoening, maar wij vinden dat zij niet ver genoeg gaat. Wij eisen dat ex-terroristen als zij eenmaal de wapens hebben neergelegd ook opnieuw over al hun burger- en politieke rechten kunnen beschikken. Wij vinden ook dat de islamitische beweging, inclusief het FIS, opnieuw vrij moeten kunnen ageren voor een islamitische staat. En het leger treft evenveel schuld als de terroristen. Geweld roept geweld op. Vandaar dat wij vinden dat alle slachtoffers van het geweld de status van martelaar verdienen en dat de nabestaanden op precies dezelfde manier vergoed moeten worden, of het nu een gedode strijder van de AIS betreft of een vermoorde soldaat of politieagent.''

Maar in Kabylië, waar de regering hard optreedt tegen het Berberprotest, en ook in Algiers en andere delen van het land vinden veel mensen dat Bouteflika juist veel te veel ruimte laat voor de politieke terugkeer van het FIS en andere extremistische moslimpartijen. Het feit dat de president zich de laatste weken graag laat fotograferen terwijl hij ex-terroristen de hand schudt, zet kwaad bloed. Ook het feit dat er nog geen enkel proces is gevoerd tegen extremisten die zich schuldig gemaakt hebben aan moord of verkrachtingen, zorgt voor veel kritiek.

Ook in Tadmaït wordt er heftig over de hele toestand gediscussieerd, zowel over de jongste golf van aanslagen als over het algemene klimaat van onlusten en repressie dat sinds weken in het land heerst. ,,De echte moordenaars zitten daar'', zegt een bebaarde jonge man opgewonden, en hij wijst naar een kazerne van de gendamerie. ,,Ik heb met eigen ogen gezien hoe die gendarmes overal in Kabylië op de betogers bleven schieten.'' Wie er achter de aanslag in Aïd Ouarzeddine en andere aanslagen zit, weet hij niet met zekerheid. ,,Wij verdenken zowel het leger als de GIA. Neem nu de moord op Matoub Lounes, de Berberzanger die hier in de buurt in 1998 is vermoord. Wie zat erachter? Hij is gedood door de GIA, luidde het officieel. Maar wij weten haast zeker dat hij door de militairen is vermoord wegens zijn lied over de rol van het leger in het politieke geweld in Algerije. Dat lied heeft hij geschreven uit protest tegen de regeringsbeslissing om op 25 juli 1998 het Arabisch tot enige officiële taal van Algerije uit te roepen.''

Hij wil zijn naam niet geven. ,,Noem mij maar Le Révolté'', zegt hij in een verwijzing naar de opstand van de Berbers en het toenemende verzet tegen de falende politiek van president Bouteflika.