Bacterie-aanslag

In Nederland is de kans op een terroristische aanslag met biologische wapens klein, zegt de Gezondheidsraad. Internationaal neemt de dreiging echter toe.

Ons land is in principe niet minder kwetsbaar voor een terroristische aanslag met biologische wapens dan andere landen. Misschien is het dichtbevolkte Nederland met zijn open grenzen zelfs kwetsbaarder. Het wordt dus tijd dat men zich bezint op de verdediging tegen zo'n aanslag. Want mondiaal gezien neemt de dreiging toe, al is de kans dat uitgerekend Nederland een bioterroristische aanslag treft gering.

Dit is kortweg de essentie van het advies `Verdediging tegen bioterrorisme' dat een commissie van de Gezondheidsraad twee weken geleden uitbracht. De commissie adviseert het ministerie van Binnenlandse Zaken een apart draaiboek `Bioterrorisme' te maken en daarmee goed te oefenen. Op voorhand zou samenwerking gezocht moeten worden met buitenlandse experts. Inlichtingendiensten moeten worden gestimuleerd de dreiging in kaart te brengen.

Ruim een jaar geleden had minister Borst van volksgezondheid om een advies gevraagd, onder meer verwijzend naar een themanummer van de JAMA, de Journal of the American Medical Association van augustus 1997 (in 1999 door MIT Press uitgebracht als `Biological weapons: limiting the threat'). In de JAMA werden de gevaren, zij het vooral die van militaire zijde, breed uitgemeten. Welke bacteriën, virussen en natuurlijke giffen komen het eerst in aanmerking. Hoe verspreid je ze, hoe ziek word je ervan. Dat soort dingen wilde Borst weten. Ook wilde zij graag `aanvullende aanbevelingen' onder meer `op het terrein van onderzoek'.

De Gezondheidsraad heeft daarop nauwelijks gereageerd. De vraag naar de kwetsbaarheid van de Nederlandse bevolking vond zij te weinig specifiek om er een specifiek antwoord op te geven. Op de vraag welke risico's Nederland loopt antwoordde zij dat `de kans niet nul is' en dat anderen het maar preciezer moeten uitrekenen. En de vraag wat de meest bruikbare agentia zijn vond de raad moeilijk. Vaak worden, schrijft zij lusteloos, als voorbeelden genoemd: pokken, miltvuur (antrax), pest, botulisme en influenza. Dat influenza (griep) had de raad zelf bedacht. Voor de belangrijkste overige conclusies beveelt zij de toonaangevende vakliteratuur aan.

De Gezondheidsraad wijst erop dat de huidige angst voor bioterrorisme is overgewaaid uit de VS, geeft een minimale verklaring voor de Amerikaanse angst maar gaat niet in op de vraag of deze terecht is en of Nederland zich net zo bang moet voelen. Zij scheept de minister goedbeschouwd af met het advies het maar zelf uit te zoeken.

Duidelijk is wel dat de Amerikaanse angst voor terrorisme, en dus ook bioterrorisme, nagenoeg ziekelijke proporties heeft aangenomen. Wie een boek over `terrorism' bestelt bij Amazon.com krijgt de keuze uit meer dan 2300 titels. De vreemde uitbraak van West Nile virus in New York (september 1999) werd onmiddellijk als een biologische aanslag beschouwd.

De hype over bioterrorisme stoelt op drie gebeurtenissen. Allereerst de onthulling, begin 1993, dat de voormalige Sovjet-Unie in strijd met de Conventie tegen biologische wapens (van 1972) tot in 1992 onder de dekmantel `Biopreparat' een reusachtig programma had voor productie van biowapens met antrax, pokken en pest. Dan de ontdekking, in augustus 1995, dat Irak tot aan 1990 ook zo'n programma had. Tenslotte de constatering dat de Japanse sekte Aum Shinrikyo, die in maart 1995 het zenuwgas sarin in de metro van Tokio verspreidde, ook werkte aan antrax en botuline. In de VS bleek de Bhagwan-sekte al in september 1984 een aanslag te hebben gepleegd met Salmonella. Een zekere Larry Wayne Harris slaagde er in mei 1995 in van het instituut ATCC (de American Type Culture Collection, een `bibliotheek' van micro-organismen) een aantal monsters pest-bacteriën geleverd te krijgen. Er valt aan te te voegen dat er in 1995 ook weer een nieuwe uitbraak was van het Ebola-virus, nu bij Kikwit in Zaïre. Eens te meer werd duidelijk dat er virussen bestaan die een gruwelijke ziekte veroorzaken waartegen vrijwel geen verdediging bestaat.

Massa-psychose

Alles bijeen was het genoeg om een massa-psychose op gang te brengen. De film `Outbreak' van 1995 (met Dustin Hoffman) en de boeken `The hot zone' (1995) en `The cobra event'(1998) van Richard Preston, alle geïnspireerd door de Ebola-uitbraak en het terroristisch misbruik van virussen, kregen buitensporige belangstelling.

Amerikaanse wetenschappelijke instituten besloten ad hoc tot een analyse van het gedachtengoed en de werkwijze van terroristische groepen en individuen. De weerslag hiervan is te vinden in `The ultimate terrorists' van Jessica Stern (Harvard University Press, 1999) en `Toxic terror' geredigeerd door Jonathan B. Tucker (MIT Press, 2000).

Tamelijk breed gedragen is nu het oordeel dat er `a new breed of terrorists' is opgestaan. Een nieuw soort dat niet zoals voorheen politiek links en min of meer seculier is (RAF, ETA, IRA, Al Fatah), maar fanatiek religieus en/of extreem rechts. Het vermoeden is dat deze groepen veel eerder bereid zijn tot excessief geweld, tot ongerichte massamoord met `vuile' wapens, dan de oude garde. Hetzelfde geldt voor de `lone offenders', de kwaadaardige kluizenaars zoals de UNA-bomber.

De (overigens zeer beperkte) statistiek toont volgens Tucker aan dat het geweld almaar groter wordt. Hij noemt de PanAm-Boeing, de `Oklahoma-bomber' en de aanslag op het World Trade Center. Tegelijk ziet hij als nieuwe trend dat terroristische groepen steeds meer bereid zijn zich in de gecompliceerde techniek en wetenschap achter chemische en biologische wapens te verdiepen. (Dat ze daarbij ook tot genetische manipulatie zullen overgaan wordt onwaarschijnlijk geacht.) Allemaal worden zij geholpen door sinistere technici die spontaan complete handleidingen schrijven voor de fabricage van de wapens. In de VS kan de verspreiding van dit soort `cookbooks' nauwelijks worden tegengehouden, op internet nog minder.

Voor wat Nederland betreft lijkt het, in dit licht bezien, wel mee te vallen met de dreiging. Religieus fanatisme en haat tegen de staat floreren hier niet. Ook is niet duidelijk welk politiek doel met een aanslag te bereiken valt. Zoals een commissielid van de Gezondheidsraad zegt: de situatie hier is er een van de minimale kans met een mogelijk groot effect. Low-probability, high-consequence, heet dat.

In de VS heeft de verontrusting tot een reeks van praktische maatregelen geleid. De AMA zette in hoog tempo consensus-handleidingen voor bestrijding van antrax, pokken, pest en botulisme op het net. Er worden grote voorraden aangelegd van antibiotica, anti-virale middelen en vaccins. De bereiding van pokken-vaccin, gestopt toen de WHO de wereld in 1980 vrij van pokken verklaarde, is opnieuw en met grote haast ter hand genomen. En de verkrijgbaarheid van gevaarlijke bacterie- en virusstammen via de ATCC en andere instituten is sterk beperkt. Een probleem is dat de vrije verkoop van kweekmedia voor bacteriën nauwelijks kan worden aangepakt. Daarvoor kennen ze een te wijd gebruik. Irak bestelde ze bij tonnen zonder dat het argwaan wekte.