Willem van Oranje

Het artikel van Paul Steenhuis over de conservering van het praalgraf van Willem van Oranje in CS van 22 juni 2001 geeft aanleiding tot enkele opmerkingen. Steenhuis stelt de veelbesproken Newman-restauratie tegenover de behandeling van het Delftse praalgraf en constateert dat bij deze restauratie de norm van reversibiliteit (omkeerbaarheid van de behandeling) niet consequent gevolgd zou zijn. Consequent zijn in restauratieprojecten betekent echter niet dat men dezelfde uitgangspunten in alle gevallen en tot elke prijs blijft hanteren; het betekent vooral dat men de talloze, vaak nauwelijks te verzoenen factoren die een rol spelen bij het proces van beslissen bij een conserverings- of restauratieproject altijd even zorgvuldig tegen elkaar afweegt.

Bij het Delftse monument was een van de afwegingen dat het impregnatiemiddel, dat op grond van de moleculaire structuur en na ca. 50 jaar ervaring met het materiaal als stabiel kan worden beschouwd, achter de originele huid van het voorwerp zou blijven. Het fungeert daar alleen als bindmiddel van de door uitzettende zoutkristallen plaatselijk verpulverende steen. Het neemt, zoals vermeld, ten hoogste 1 à 2 procent van het volume in. 98 à 99 procent van de steenmassa blijft dus onberoerd.

De woorden `plastificeren' en `volpompen met plastic' – waardoor het in de woorden van Eddy de Witte `één brok plastic' zou zijn geworden – zijn dus veel te drastische aanduidingen van wat er feitelijk aan de hand is. Het in de openbaarheid brengen van dergelijke aanduidingen verstoort de authenticiteitbeleving van de toeschouwer nodeloos. Ik heb dergelijke termen tijdens mijn telefonische contact met Paul Steenhuis dan ook niet gebruikt. De subjectieve authenticiteitbeleving van de beschouwer is een van de vormen van authenticiteit die bij restauratiedilemma's een rol kunnen spelen; andere soorten authenticiteit betreffen bijvoorbeeld de oorspronkelijke (vaak door de tijd veranderde) materie; de oorspronkelijke functie, context of verschijning van een voorwerp; of de historisch gegroeide `sporen van de tijd' op een voorwerp.

De authenticiteitbeleving hangt vaak samen met een aspect waarover niet graag gesproken wordt, namelijk het feit dat een kunstwerk of monument ook een theatrale functie heeft. Het speelt onvermijdelijk een `rol' in een altijd enigszins gemanipuleerde situatie, bijvoorbeeld door de betekenis die aan het betreffende object gegeven wordt, de plaatsing en de belichting ervan, de confrontatie met andere objecten etc. De manipulatie van onze ervaring van authenticiteit speelt behalve bv. in het museum (of zoals in dit geval in een historisch gebouw) ook een rol bij het theater, de etalage of de cosmetica, ja zelfs in het crematorium. We hebben er in die gevallen geen behoefte aan achter de schermen of onder de oppervlakte te kijken. Het Rijksmuseum heeft bijvoorbeeld lange tijd als beleid gehad om geen foto's van kunstwerken in hun `gestripte' toestand in de openbaarheid te brengen, niet omdat de toestand van de kunstwerken een geheim was, maar wegens de mogelijke verstoring van de museale illusie. Door de toename van de publieke belangstelling in restauratiezaken is dat beleid inmiddels verlaten. De restauratiecommissie van het Delftse monument heeft in haar persberichten de plannen om het marmer te impregneren dan ook nooit verhuld.

Mijn opmerking over de theoretische mogelijkheid van de vervanging van Who's afraid of Red, Yellow and Blue III door een verantwoorde kopie werd gemaakt in een artikel met de in deze context toepasselijke titel: `De twijfelachtige betovering van het aura' dat verscheen in Kunst- en Museum Journaal (1, 2/3 (1989) pp. 46-50), ruim voordat het overschilderde schilderij na voltooiing van de `restauratie' gepresenteerd werd.

NASCHRIFT PAUL STEENHUIS: De termen `plastificeren' en `volpersen met kunststof' komen uit het boek over de praalgraf restauratie `De Prins en De Keyser'.