Waterdrinker

Het is misschien ietwat ungentlemanlike van Rudy Kousbroek om mij in het CS van 22 juni te kapittelen over een stuk in het Hollands Maandblad, ondanks het feit dat ik hem diverse malen heb aangespoord zulks te doen in het maandblad zelf. Te meer jammer is het dat Kousbroek nalaat te melden dat hij zich opwindt over een terzijde van één alinea over hem in een stuk van 10 pagina's over de juridische geschiedenis van de zaak Waterdrinker. Het betreft hier een Nederlandse romanschrijver die door het Openbaar Ministerie nu al drie jaar tot en met de Hoge Raad aan toe strafrechtelijk wordt vervolgd. De beschuldiging is antisemitisme en discriminatie. De bewijslast is één zin, in de roman uitgesproken door een weinig appetijtelijke bijfiguur. Het OM meent dat de schrijver strafrechtelijk verantwoordelijk is voor deze zin. De uitspraak van de Hoge Raad zou op 12 juni plaatsvinden (inmiddels is die voor onbepaalde tijd uitgesteld).

In mijn stuk kwamen de juridische verwikkelingen, de jurisprudentie, alsmede reacties van collega-schrijvers (en het uitblijven daarvan) aan de orde. In het bijzonder wordt belicht dat diverse juristen zowel de vervolging door het OM als de veroordeling in eerste instantie door de politierechter (wegens enkelvoudige belediging) in zeer scherpe bewoordingen hebben veroordeeld als volstrekt in strijd met de jurisprudentie (o.m. de zaak Reve, de zaak Hermans, etc.). Onder die juristen waren Jessurun d'Oliveira (deskundige aangaande 'literaire beledigingen') en Frank Kuitenbrouwer in deze krant, alsmede het gerechtshof te Amsterdam dat het vonnis van tafel veegde. In de terzijde wees ik erop dat Rudy Kousbroek de enige schrijver/intellectueel was die zich in het openbaar instemmend uitliet aangaande het vonnis. Over dit feit is in verscheidene kranten bericht, en Joost Zwagerman wijdde er een boze column aan in de Volkskrant.

Ongetwijfeld had ik dienen te stipuleren dat ik mij baseerde op die berichtgeving, dat Kousbroek zijn uitspraken deed in een programma dat vanouds op de radio werd uitgezonden maar zijn zwanenzang ten gehore bracht op de televisie, en dat de afkeuring over Kousbroeks opmerkingen die Theo van Gogh ventileerde niet in de uitzending zelf te horen was (daar opponeerde o.m. Liesbeth Koenen tegen K.), maar wel elders. Ik geloof echter niet dat dit de kern van de zaak is. Zoals de kern van de zaak ook niet is dat Kousbroek zijn instemming met het vonnis extra dik aanzette om de discussie interessanter te maken, zoals hij mij telefonisch meedeelde.

Overigens weet ik nu wat hij mij zou hebben gezegd als ik bij op voorhand navraag had gedaan over de krantenberichten. Volgens Kousbroek had ik moeten weten, zoals hij me zei, dat Zwagerman louter 'laster' over hem verspreidde, dat de Volkskrant 'een hetze' tegen hem voerde, en dat nu Hollands Maandblad ook al een 'campagne' begonnen was. Ik zie hier een patroon, en dat patroon vervult mij niet met vreugde.

Net zomin als Kousbroek wens ik de zaak over een terzijde in deze zaak op de spits te drijven, hoewel ik begrijp dat hij volhardt in zijn visie dat een schrijver strafrechtelijk veroordeeld kan worden vanwege één zin die wordt uitgesproken door een romanfiguur. Als hij mijn stuk goed had gelezen, had hij beseft dat ik geenszins meen dat de kunsten a priori buiten het strafrecht vallen (dat vindt Waterdrinker ook niet). Wel voer ik aan dat een juridisch oordeel over een roman - net als elk juridisch oordeel - jurisprudentie en proportionaliteit als twee belangrijke pijlers dient te hebben. De opvatting van Kousbroek en van het OM steunt op het één noch het ander.