Voorbij en niet voorbij

Op weg naar Klein Kei, een eilandje in de zuidelijke Molukken, met in mijn tas een hoed voor Pastor Anton die daar al meer dan dertig jaar werkt. Een driedaagse reis, wegens stopovers in Ujung Pandang (Makassar) en Ambon en dus een mooie gelegenheid om eens te kijken welke sporen Nederland daar zoal heeft achtergelaten.

In Ujung Pandang bezoeken we een van de vier scholen waar, onder leiding van Nederlandse onderwijsinstellingen, het vak techniek werd ingevoerd. Het ziet er indrukwekkend uit: ruime lokalen, moderne werkbanken en machines. Alles afkomstig uit Nederland, dankzij het ministerie van O&W. Veel van de inventaris ziet er ongebruikt uit. Machines zitten dik onder het stof, de meeste bankschroeven zijn stuk, de computers werken niet en van veel machines ontbreken essentiële onderdelen. Lesmateriaal blijkt nauwelijks voorhanden, alleen wat smoezelige boekjes. Maar de kinderen hebben het prima naar hun zin, vol verwachting kijken ze ons aan.

In beide lokalen een installatie met tv-toestel en CD-I-speler. CD-I? Was dat niet een mislukt project van Philips? Is er ook software? De leraar laat een schijfje zien: `Centraal Bureau voor de Rijvaardigheid: Theorie'. Hij grinnikt: ,,Berbahaya! (gevaarlijk!) Wij rijden links.''

Als hij hoort dat we op doorreis zijn naar Ambon verstrakt zijn gezicht. ,,Hati-hati! (voorzichtig) Twee van mijn familieleden zijn vermoord.'' En met trillende stem: ,,Lehernya dipotong, dibuang di laut (de keel doorgesneden en in zee gegooid). Hati-hati!''

Terwijl de mannen zich verdiepen in de techniek, hou ik de kinderen bezig. Uit Nederland? Meteen komen de tongen los. Ja, dat kennen ze, het land van die moordenaar: Westerling. Er valt heel wat uit te leggen, maar tot slot zingen we een Buginees zeemanslied.

De volgende dag naar Ambon, met op schoot het verzameld werk van Maria Dermoût. Ik lees in `De tienduizend dingen', over Mevrouw van Kleyntjes en haar `thuyn' aan de binnenbaai. Zou er nog iets van die wereld zijn terug te vinden?

,,Mevrouw van Kleyntjes had wel eens het gevoel dat het eiland voor haar lag als op een landkaartje, om naar te kijken (...) De twee schiereilanden, door buiten-en binnenbaai bijna geheel van elkaar gescheiden, op de kleine landengte aan de binnenbaai na (niet eens zo ver weg van de tuin. (...) Wie stond op het strand toen en staarde over de drie golfjes van de branding heen en over de baai heen en waarheen? Een stilte als antwoord, een stilte van gelatenheid en verwachting tegelijk; van voorbij en niet voorbij.''

Tijdens de landing heb ik een prachtig overzicht, de beschrijving klopt precies. In de aankomsthal opvallend veel blanken, desondanks worden we onmiddellijk gesignaleerd. ,,Mister Yan? Ibu Ani?'' Een forse man stelt zich voor: Felix. Hij is van de politie en komt ons om veiligheidsredenen afhalen. De laatste maanden is het weliswaar vrij rustig, maar dat kan zo veranderen. Helaas gaat er de komende dagen geen vliegtuig naar Klein Kei, het toestel is in reparatie. Maar misschien is er een boot.

We worden ondergebracht in een klein hotelletje, dichtbij het vliegveld. Het ziet er nogal verwaarloosd uit. In de badkamer geen wastafel, alleen een gebarsten spiegel, de douche is afgebroken. Maar er is een bad, groen met grauwe aanslag, een paarse emmer, een rood mandiebakje en een roze slang. Een kleurrijk geheel.

Onze radio doet het. Uit de luidspreker klinkt een opgewonden, overslaande stem: ,,Hati-hati. Ga niet alleen naar de moskee. Zij zijn gevaarlijk. Zij vermoorden ons. Zij willen geen vrede. Zij zijn de vijanden van het geloof.'' Dit is de zo gevreesde propagandazender van de Laskar Jihad, een fanatieke moslimbeweging.

,,Allemaal leugens'', zegt Felix. ,,Provocaties. Ook de moslims zijn bang. Iedereen die niet meedoet loopt gevaar. Juist deze week is er weer een groep van 600 jihad-strijders uit Java aangekomen.''

En de politie? Waarom grijpt die niet in? Hij haalt zijn schouders op: ,,De politiek zit er achter.''

Felix vertrekt. Hij zal zorgen voor een surat jalan (reisvergunning). Ook neemt hij de hoed voor de pastoor mee. Pastor Anton blijkt in Ambon-stad te zijn, over een paar dagen gaat hij met verlof naar Nederland.

We lopen een eindje om. Op een veldje is een groep jongens aan het voetballen, op blote voeten. Grazende koeien met een glanzende, zachtbruine huid en een lichte vlek op hun kont. Een zwart varken schommelt op een holletje naar een modderplas, de dikke hangbuik bijna op de grond. Hier en daar een paar schapen en geiten, rondscharrelende kippen. Voor dieren moet het hier een paradijs zijn. Een brug over de rivier: kinderen spartelen uitgelaten in het water, op de oevers ligt de was te drogen. Vrede alom, zo op het eerste gezicht.

Een jeep neemt ons mee naar de ferry, zo'n drie kilometer verderop. Misschien kunnen we morgen de school in Ambon-stad bezoeken? Over land is te gevaarlijk, maar met de spid (speedboat) ben je in dertien minuten aan de overkant. Onderweg twee kolossale kerken in aanbouw en dat terwijl hier niet bepaald een gebrek aan godshuizen is. Daartussen overal vernielde huizen. Woonden hier soms moslims? De chauffeur kijkt wat ongemakkelijk en knikt.

's Avonds blijkt er toch weer een aanslag te zijn gepleegd, op een spid. Drie doden en twee gewonden. ,,Saudara saya (familie van me)'', zegt een van de mannen mat. ,,Sudah biasa'' (het wordt al gewoon).

Op de tv beelden van een zaal vol hulpverleners. We herkennen de mensen van het vliegveld. Daarna een interview met de gouverneur. De man knippert zenuwachtig met zijn ogen, maar zegt eigenlijk niets. ,,Hij is bang'', zeggen de mensen, ,,zoals wij allemaal.''

's Avonds lees ik verder over Mevrouw van Kleyntjes die één keer per jaar een nacht alleen wil zijn in haar tuin aan de binnenbaai om de vermoorden van het eiland te herdenken. ,,Niet ieder jaar werd er iemand vermoord, gelukkig niet! Er gingen wel eens jaren voorbij dat er niet één was. Het was een vreedzaam eiland, maar toch, het kon gebeuren.''

Hoeveel doden zouden er de afgelopen tijd zijn gevallen? De schatting is vijfduizend. Er valt nog veel te gedenken.