Verbondenheid en angst in Midden-Europa

De Hongaren maakten in de oorlog zelf jacht op `hun' joden. Tijdens het communistisch regime zwegen de minderheden liever. De vraag na de recente omwenteling is in hoeverre nationalistische bewegingen `vreemden' zullen tolereren. Kertész voorspelt een nieuwe Hitler.

Zoals een goede roman je verbindt met de hoofdpersoon via zijn belevenissen en relaties met andere personages, zo verbindt een goed essay je met de gedachte die erin wordt onderzocht door haar te confronteren met ervaringen, met andere gedachten, met literatuur, filosofie en religie.

Een romanschrijver creëert een personage, dat zich gaandeweg het verhaal ontwikkelt, waardoor het steeds geloofwaardiger wordt, aangezien de lezer de veranderingen die zich onder invloed van de gebeurtenissen voltrekken, herkent als proces, ook als diezelfde ervaringen hem vreemd zijn.

Een goede essayist laat zijn gedachten op vergelijkbare wijze avonturen beleven. Dat maakt het lezen van essays spannend voor wie de avonturen van de geest net zo interessant vindt als die van mensen van vlees en bloed.

Misschien omdat György Konrád in de eerste plaats romanschrijver is, hebben zijn essays niet alleen `geest' maar ook `lichaam'. Dat `lichaam' bestaat uit Konráds levensgeschiedenis, die de urgentie van de vragen die hij stelt, onderstreept. Daarbij maakt hij het zich niet makkelijk. De haat, de wreedheden en het geweld waaraan hij als kind tijdens de Tweede Wereldoorlog in Hongarije werd blootgesteld of waarvan hij getuige was, in het bijzonder de `jodenjacht' van de Pijlkruisers, zijn landgenoten, hadden hem tot bitterheid kunnen drijven en niemand zou hem dat kwalijk hebben genomen. Al was er dan wel een belangrijke schrijver verloren gegaan.

In de onlangs verschenen bundel De onzichtbare stem schrijft hij over zijn relatie tot het jodendom, zijn relatie als jood met zijn geboorteland Hongarije, die sterk bepaald is door zijn jeugd tijdens de Tweede Wereldoorlog, en over de positie van joden (en andere minderheden) in Midden- en Oost-Europa na de val van de communistische regimes. Een centrale vraag is, of er een toekomst is voor joden in Midden- Europa. Konrád laat zien, dat het antwoord daarop direct samenhangt met dat op de vraag of de liberale democratie er werkelijk wortel zal schieten of dat de toekomst bepaald zal worden door nationalistische bewegingen die geen `vreemden' in hun midden zullen tolereren.

Leefbaarheid

De positie van joden is in dat opzicht een graadmeter van de leefbaarheid van een land. Hoewel Konrád vele vragen heeft over de toekomst, is het hem duidelijk dat deze voor joden noch in en communistische dictatuur, noch in een nationalistisch Hongarije kan liggen. Beide eisen een uniformiteit waaraan joden, zelfs als zij dat willen, niet kunnen voldoen.

De `veilige' weg, emigratie naar Israël, trekt hem niet aan. Niet omdat hij zich niet met dat land verbonden voelt, maar omdat hij ondanks alles het monoculturalisme afwijst. Om die reden ziet hij ook assimilatie niet als een oplossing, integendeel, het is een reactie op afwijzing die tot niets anders leidt dan verlies van zelfrespect. `Moet ik verzwijgen dat mijn vader een joodse ijzerwarenhandelaar was in Berettyóújfalu, net als mijn grootvader? [...] Moet ik verloochenen dat mijn voorvaderen [...] als Kohaniem al eeuwen voor Christus priesters waren, bewaarders van het heiligdom in de tempel van Jeruzalem?'

Het lezen van deze essays zou een uitstekend tegengif kunnen zijn in de Nederlandse discussie over `integratie', een begrip dat hoe langer hoe meer als equivalent gebruikt wordt voor gedwongen assimilatie. Als Hongaarse jood wil Konrád het recht hebben zich zowel met Hongarije als met het jodendom en het joodse volk verbonden te blijven voelen. Beide kanten zijn een niet weg te denken deel van hemzelf: `Ben ik dan beide? Ja, beide. Alleen een existentiële leugen zou van dit `beide' één kunnen maken.'

Onder het communisme was er geen ruimte voor een dergelijke plaatsbepaling: het was verstandig, het jood-zijn volkomen te verzwijgen. Zo groeiden na de Tweede Wereldoorlog generaties op, die niet of nauwelijks wisten dat zij joods waren, laat staan wat dat te betekenen had. Sinds de val van het communisme is een door Konrád kritisch maar liefdevol beschreven proces van reconstructie van de joodse gemeenschap in Hongarije – nog altijd zo'n honderdduizend personen groot – op gang gekomen.

Nazi-tijd

Over de gevolgen van de omwenteling schrijft ook Imre Kertész, die meer nog dan Konrád in de eerste plaats romancier is. Hoewel er overeenkomsten zijn met het denken van Konrád, in het bijzonder als het gaat om hun oordeel over de verregaande assimilatie van de joden in vooroorlogs Boedapest en in de invloed die de nazitijd op hen heeft gehad (Kertész overleefde Auschwitz), vraagt Kertész zich in de eerste plaats af wat de veranderingen met hem hebben gedaan.

Kertész, wiens werk in de communistische periode net als dat van Konrád alleen in samizdad-uitgaven verscheen, voelt zich verward nu `de deur van de cel waarin ik veertig jaar gevangen heb gezeten, is [...] opengegaan'. Vrienden en collega's verwijten hem dat hij zijn scherpte verloren heeft, waarvan overigens niets is te merken in de observaties en beschouwingen in Ik, de ander.

De fysieke vrijheid die de omwenteling hem heeft gebracht, wordt uitgedrukt door de vorm van Ik, de ander: Kertész schrijft zijn beschouwingen in Wenen, München, Tel Aviv, Amsterdam, op reis door Frankrijk en Duitsland en zo nu en dan in Boedapest. Het is nu al bijna niet meer voor te stellen dat reizen naar en in West-Europa, laat staan Israël, ruim een decennium voor de meeste bewoners van dit toenmalige Oostblokland vrijwel onmogelijk was.

Tijdens een reis door Frankrijk ,,begreep ik hoe scherp de scheidslijn was tussen `daarvoor' en `daarna', begreep ik dat de gapende afgrond tussen mezelf en mezelf zo diep was dat hij alleen met heel veel inspanning overbrugd kon worden.' Kertész vraagt zich af wat de schade en wat de winst is van de `Grote Verandering' en `waar ik voortaan nog bronnen zou kunnen vinden om creatieve energie uit te putten.' Door alle beschouwingen heen speelt de angst om met het verdwijnen van het communisme ook zijn kracht en inspiratie kwijt te zijn om nog literatuur te kunnen produceren, in het bijzonder romans.

Verbijstering

Bij zowel Konrád als Kertész is waarneembaar dat de littekens van de shoah en die van de communistische periode door elkaar heen lopen en elkaar nog dieper hebben gemaakt. Kertész leeft nog steeds met de verbijstering dat de wereld zijn waarden niet deelt: `God schiep de wereld en de mens schiep Auschwitz.' Hij beseft dat de waarden waarop hij zijn leven baseert, hem isoleren.

Wat betreft de communistische periode, deze heeft vooral door `slecht taalgebruik' slachtoffers gemaakt, niet alleen menselijke slachtoffers maar vooral ook woorden, die `gedevalueerd' en tot `rafelige vodden' geworden zijn. De menselijke slachtoffers `kunnen het achterliggende tijdperk niet eenvoudigweg vergeten als een boze droom, want die droom zijn ze zelf en dan zouden ze, om door te kunnen leven, zichzelf moeten vergeten.

Konrád benadrukt het universeel menselijke meer dan Kertész: `De reductie van de blik die uitgaat van een gezamenlijke essentie, is voorwaarde voor de machinerie van de Endlösung.' Maar, en dat maakt duidelijk wat het beleven van de communistische dictatuur na de verschrikkingen van de nazitijd heeft toegevoegd aan zijn inzicht in de tekortkomingen van het Verlichtingsdenken (dat hij overigens niet met name noemt), hij gelooft niet in het soort `gelijkheid' dat mensen dwingt zichzelf en hun achtergrond te verloochenen, zoals hier in Nederland inmiddels wordt geëist van moslims: `Joden worden als zodanig geboren en of dat nu een gave [bedoeld is: geschenk, MR] is of een last, ze zullen er nooit van loskomen.' Het gaat hem, heel joods, om het inzicht dat we beiden zijn: algemeen menselijk, met alles wat daaraan gemeenschappelijk is én specifiek jood of moslim of indiaan. Konrád vertrouwt er ondanks alles op, dat `de Hongaarse middenklasse [...] een opvatting van het begrip natie koestert, die eerder juridisch-cultureel dan religieus-racistisch van aard is.'

Kertész benadrukt sterker het `typisch' joodse, bij voorbeeld naar aanleiding van de moord op de logisch-positivist Moritz Schlick aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, door een nazi-student die het logisch positivisme als een typisch joodse uitvinding beschouwde: `...Niet ten onrechte, want wie anders zou belang hebben bij de weerlegging van het metafysische gezwatel waarop de ideologische kletskoek zijn scheve torens optrekt.'

Kertész is dan ook somberder over het heden en de toekomst van Europa dan Konrád. Hij beschrijft op bloedstollende wijze een groep skinheads in Boedapest, maar ook de `ressentimenten [...] die de contemporaine intelligentsia tegen de rede koestert', van de westerse cultuur is niet meer overgebleven dan `een museum dat nog steeds Europa wordt genoemd' en dat zich met buitengewoon schadelijke middelen teweer stelt tegen de komst van migranten: `De op claustrofobie lijkende angst van West-Europa zal een nieuwe Adolf Hitler (dat wil zeggen superioriteitswaan van de inferieuren) baren.'

György Konrád: De onzichtbare stem. Essays. Van Gennep. 208 blz. ƒ34,90 Imre Kertész: Ik, de ander. Van Gennep. 126 blz. ƒ29,90

Oost-Europa