Regering Bush nu al verstrikt in het Midden-Oosten

Het is misschien overdreven te stellen dat de Midden-Oostenpolitiek van de regering-Bush al in duigen ligt. Maar dat de prioriteiten binnen enkele maanden zijn verschoven, is zonneklaar. Nog maar een paar maanden geleden had de Golf de hoogste prioriteit en was het geschil tussen Israël en de Palestijnen op afstand gezet. Daar viel iets voor te zeggen. De olieschaarste van het afgelopen najaar had, samen met de stijging van de olieprijzen, de aandacht opnieuw gevestigd op de onopgeloste machtsvraag in het gebied van Europa's voornaamste olieleveranciers. De internationale controle op Saddam Hussein was bovendien ernstig geërodeerd. Aan de andere kant was er na het debacle van het Camp-Davidoverleg van vorige zomer en de daarop volgende zogenoemde tweede intifada weinig animo in Washington voor al te nauwe bemoeienis met het langstdurende conflict dat de regio kent.

De zichtbare tekenen van deze rangorde waren een reis van minister Powell langs bevriende Golfstaten en het bezoek van premier Sharon aan president Bush. Powell kwam zijn plan aan de man brengen voor een ingrijpende herziening van de sancties tegen Saddam Hussein. Sharon kreeg ruimte voor een eigen behandeling van het Palestijnse vraagstuk.

De toestand met betrekking tot Irak was de afgelopen jaren steeds complexer geworden. Het hoofddoel van het internationale beleid sinds de bevrijding van Koeweit was geweest Irak te dwingen af te zien van de aanmaak van massavernietigingswapens, een arsenaal dat zowel in Irak zelf als daarbuiten in voorgaande jaren de nodige slachtoffers had geëist.VN-inspecteurs zagen ter plaatse toe op de ontmanteling van alle projecten die met dat wapenprogramma waren verbonden. Maar allengs slaagde het regime er in dat toezicht te frustreren met als climax het gedwongen vertrek in 1998 van het inspectieteam.

Onmiddellijk na Saddams nederlaag in Koeweit waren Iraks minderheden tegen zijn regime in opstand gekomen: in het noorden de Koerden, in het zuiden de shi'ieten. Maar met zijn elitetroepen intact sloeg Saddam deze opstanden snel en bloedig neer. Enkele landen reageerden vervolgens met het instellen van zones waaruit de Iraakse strijdkrachten met militaire middelen werden geweerd. Ondanks die bescherming trok het Iraakse leger in 1996, gebruikmakend van verdeeldheid onder de Koerden, Koerdisch gebied binnen en maakte het een einde aan het zelfbestuur dat met Amerikaanse hulp was opgezet. Enkele duizenden `nieuwe' vluchtelingen waren het gevolg.

In datzelfde jaar besloten de VN tot het olie-voor-voedselprogramma dat nu ter discussie staat. Het programma was een antwoord op de toenemende kritiek dat de sancties uitsluitend het Iraakse volk troffen en, via de smokkel die er uit voortvloeide, het regime begunstigden. De regering-Bush heeft nu geprobeerd de losse einden weer aan elkaar te knopen. `Slimme' sancties zouden voortaan specifiek gericht zijn op het tegengaan van Saddams herbewapening. De smokkel die Bagdad oncontroleerbare deviezen verschaft, waarmee het zijn herbewapening financiert, diende te worden bestreden met compensaties voor buurlanden die zouden ophouden smokkel te gedogen. Saddam reageerde met het stopzetten van de legale olie-export en dreigementen aan het adres van de buren mochten zij de grenscontrole willen intensiveren. In een brief aan de Amerikaanse regering heeft de Russische regering deze week laten weten niets voor `slimme' sancties te voelen.

Minister Powell heeft intussen zijn goede diensten aangeboden aan Sharon en Arafat. Zijn uitgangspunt is het zogenoemde Mitchell-plan dat Israël en de Palestijnen maant tot overleg om tenminste aan het wederzijdse geweld een einde te maken. (Ex-senator Mitchell bracht eerder partijen in Ulster tot elkaar.) Vrijwel gelijktijdig bezocht premier Sharon opnieuw Washington waar hij ditmaal minder vrijblijvend zou zijn toegesproken. De Amerikanen willen de impasse doorbreken waarbij beide partijen zeggen op de ander te wachten. Maar Sharon eist een einde aan het terroristisch geweld alvorens aan tafel terug te keren, Arafat eist van de Israëliërs gebaren van goede wil alvorens te bevelen een eind te maken aan de intifada. Wel heeft hij, niet verrassend, ingestemd met de komst van internationale waarnemers.

Zover valt na te gaan heeft Powells eerste reis weinig tot geen resultaat opgeleverd. Het doel was de Arabische vorsten aan de Golf een hart onder de riem te steken en hun steun te verwerven voor de `slimme' sancties. Maar Saddams buren, Iran uitgezonderd, hebben de keuze uit twee mogelijkheden – of steun verlenen aan een poging Saddam een beentje te lichten of met hem samen te leven. De Amerikanen hebben bij herhaling gesuggereerd dat het eerste ging gebeuren, maar hebben de daad niet bij het woord kunnen voegen. De Golf-Arabieren willen onder die omstandigheden de heerser in Bagdad niet prikkelen. Zelfs Koeweit loopt niet warm voor Powells plannen zolang Saddam in Bagdad de macht stevig in handen heeft. Nu Rusland het Amerikaanse initiatief effectief om zeep dreigt te helpen, zal de stemming aan de Golf niet verbeteren.

De hernieuwde Amerikaanse aandacht voor het Palestijns-Israëlische conflict vloeit rechtstreeks voort uit de extreme machtsmiddelen die de Israëliërs de laatste tijd tegen de Palestijnen hebben aangewend. De inzet van gevechtshelikopters, tanks en ten slotte zelfs F-16's deed Washington inzien dat Sharons gewapende dialoog de zaken alleen maar erger maakte. In Sharons ogen is Arafat nog altijd de vijand die slechts de taal van het geweld verstaat en zeker niet de vredespartner die hij na het Oslo-akkoord en de handreiking in de tuin van het Witte Huis voor veel Israëliërs was geworden. Het laatste waar Washington op wacht is een nieuwe oorlog in het Midden-Oosten die opnieuw zijn verschillende bondgenootschappen in het gebied opblaast.

Zonder het te willen is de regering-Bush in een positie terechtgekomen die overeenkomsten vertoont met de omstandigheden in de laatste fase van de regering-Clinton. Voor het oplossen van de impasse aan de Golf en de terugslag in de relaties tussen Israël en de Palestijnen bieden zich geen nieuwe inzichten aan. Partijen hebben zich ingegraven of verkeren in een staat van immobilisme (aan de Golf) die evenmin reden tot hoop geeft. Amerika, de enig overgebleven supermacht, wordt geconfronteerd met de taaiheid van de problemen. En de regerende Republikeinen krijgen hun kritiek op voorganger Clinton als een boemerang terug.

J.H. Sampiemon is commentator voor NRC Handelsblad